SAL7322, Act: R°294.1-V°294.1 (141 of 180)
Search Act
previous | next
Act R°294.1-V°294.1  
Act

Transcription

2020-01-14 by kristiaan magnus
Wij gielijs de rijke willem lombart joes absoloens jan vanden borch(oven)/
de jonghe gheert van haenwijc henric de vroede en(de) arnt vande(n) velde/
scepen(en) van loven(e) doen cond en(de) kenlic allen lieden dat comen es voer/
den meye(r) ende scepen(en) van loven(e) jan vand(er) ca(m)men de jonghe als momboe(r)/
barbae(re)n sijns wijfs docht(er) hubrechts wilen vand(er) strate(n) de welke hij/
hadde van lijsbette(n) spoelarts docht(er) jans wilen spoelaert en(de) heeft ghe/
eyscht ende versocht inden rechte scheidinge ende deylinge te hebben vande(n)/
huyse ende hove geheten den coevoet met tween heymelicheiden daer/
achter gelege(n) [staende] gelege(n) in de parijs st(ra)te tusschen de goede meest(er) thomaes/
ferneer medicijn en(de) thuys gehete(n) den blaesbalch daer af dat hem/
de helicht toebehoirde en(de) aengewijst es co(m)merloes en(de) scadeloes te/
volghen jegen hubrechte en(de) woute(re)n van b(er)them gebruede(re)n van alsulke(n)/
rechte en(de) tsijse als sij aen tvoirs(creven) geheel huys meynden te hebben/
De welke gebruede(re) inden rechte daer nae kendden dat sij hen gheens/
rechts en vermate(n) tott(er) helcht [vanden voirs(creven) goeden] des voirs(creven) jans vand(er) ca(m)men Alsoe dat/
de scepen(en) te rechte sittende seyden den voirs(creven) ja(n)ne vand(er) ca(m)men dat hij/
den voirs(creven) p(ar)tien dach soude doen doen metten rechte tot ene(n) genoemden/
daghe o(m)me te hoe(re)n wes si jegen tversueck des selfs jans vand(er) ca(m)men/
seggen wouden dwelck alsoe geschiede Tot welken daghe negheen van/
hen en quam versocht voert de voirs(creven) jan vand(er) ca(m)men van rechts wege(n)/
den meye(r) van loven(e) in jegewoirdicheide(n) van scepen(en) dat hij hem vanden/
voirs(creven) huyse scheidinge ende deylinge van heerheyde(n) woude doen hebben/
op dat hij sijn helcht wete(n) mochte Tot welker deylingen te doen dach/
gerekent wert ende tvoirs(creven) huys in tween gedeelten gedeilt mett(er) stat/
geswoe(re)n meest(ere)n daer af dat deen deel was de helcht vande(n) huyse voirs(creven)/
met sijnre coeken(en) en(de) met ene(n) pleinken hoefs en(de) metter eenre sijden/
vand(er) heymelicheit gegelen ten blaesbalghe weert voirs(creven) Dand(er) deel was/
de helcht vande(n) voirs(creven) huyse met sijnre cokenen en(de) met ene(n) pleinken/
hoefs en(de) met eenre sijden vand(er) heymelicheit gelege(n) ten goede(n) w(er)t/
des voirs(creven) meest(er) thomaes Gelijc dat dese twee gedeelte(n) vande(n) voirs(creven)/
huyse ende cokenen met eenre want van ond(er) tot bove(n) en(de) tvoirs(creven)/
hoefken tot den voirs(creven) heymelicheyde(n) daer acht(er) staende met seke(re)n/
teeken(en) en(de) desgelijx de voirs(creven) heymelicheiden oec met eenre want/
onderslage(n) en(de) betekent es Welke wande ond(er) en(de) bove(n) en(de) aende voirs(creven)/
/ heymelicheide(n) beyde de(n) voirs(creven) gedeelte(n) te gell gelike toebehoe(re)n/
sal en(de) die selen sij ende desgelijx de voute vande(n) voirs(creven) heymelic/
heyden op geliken cost voert aen erflic houden [maer tgedeelte ten blaesbalge w(er)t sal houde(n) den vrede voirs(creven) hoefken vanden huyse tot den heymelicheide(n) vors(creven)] Ende es vorw(er)de/
dat tgedeelte gelege(n) te meest(er) thomaes wert erflic hebben sal/
aen tgedeelte gelege(n) ten blaesbalghe wert twee oude g(r)[o]te/
te kerssavonde te betalen en(de) tselve gedeelte te meest(er) thomas/
waert sal leyden alle cuysch water comende vande(n) ande(re)n/
gedeelte ten blaesbalge w(er)t ter strate(n) uute Desen goeden/
in tween gedeelte(n) aldus gedeilt bijden voirs(creven) gesworne(n) meest(ere)n/
vand(er) stat en(de) op hoe(re)n eedt loette de voirs(creven) meye(r) van loven(e)/
van heerheiden in deen side en(de) de voirs(creven) jan vand(er) came(n) in dande(re)/
en(de) viel den selve(n) ja(n)ne vand(er) ca(m)men mette(n) lote tgedeelte/
vande(n) voirs(creven) goeden gelege(n) te blaesbalge waert met sijnen/
toebehoirten voirscr(even) ende de meye(r) van loven(e) van heerlicheide(n)/
inden name vand(er) wederp(ar)tien des voirs(creven) jans vand(er) ca(m)men/
viel metten lote dand(er) gedeelte vande(n) voirs(creven) goeden met hoe(re)n/
toebehoirte(n) gelegen te meest(er) thomas waert voirscr(even) In orcon/
scape van welken dinghen (et)c(etera) m(ar)cii xxiiii wij scepen(en) van/
loven(e) voirg(enoemt) onse zegele aen desen l(ette)ren hebben gehangen/
Gegeve(n) m(ar)tii xxiiii a(n)no xiiii[c] xxvii[mi]
ContributorsKarel Embrechts
Moderated byKarel Embrechts
Last update: 2013-01-18 by Sabrina Keyaerts