SAL7331, Act: R°347.3-V°347.1 (263 of 349)
Search Act
previous | next
Act R°347.3-V°347.1  
Act

Transcription

2019-01-05 by kristiaan magnus
It(em) want ja(m)maerdt daire met meye(r) en(de) scepen(en) van loven(en) and(er)wile comen/
en(de) geleyt is geweest tot allen den goeden beruerlijc en(de) omberuerlijc jans/
wilen van bossuyt en(de) jouffr(ouwe) johannen sone h(er) jans wilen van bossuyt/
ridders en(de) jouffr(ouwe) johannen sijnre medegesellinne(n) soe waer die goede/
belegen sijn en(de) de selve ja(m)maerdt uut dien de voirs(creven) goede yesint/
dat de voirs(creven) wilen jan aflivich waert [woirden is worden is] geregeert heeft vanden/
welken hij alvrefonse he(r) van lingy [w] die nu t(er) tijt getroudt heeft/
jouffr(ouwe) johannen docht(er) des selfs wilen jans rekeninge(n) en(de) bewijsenissen/
gedaen heeft alsulk dat de voirs(creven) alvrefons dier wael te bieden/
was gelijc hij dat voir den rade vander stad van loven(en) oppe(n)baer/
gekent en(de) gelijt heeft Daer om eest dat de voirs(creven) alvrefons/
comen is voe(r) scepen(en) van loven(en) noch kenne(n)de en(de) verlyende oppe(n)baerlijc/
als mo(m)boer jouffr(ouwe) johannen sijns wijfs voirs(creven) dat de voirs(creven) jammaert
//
hem goede wettige rekeninge en(de) bewijs gedaen heeft van alle den goeden/
renten opcome(n) en(de) vervallen en(de) van allen ande(re)n saken daer aen clevende/
jans wilen van bossuyt welker hij hem uut machte van sijne(n) voirs(creven)/
beleyde ond(er)vonden hadde oft enichs sijns aenkeert mach hebben ende/
heeft daer om de voirs(creven) aelv(er)fons als wettich man en(de) mo(m)boer/
sijnre gesellinne(n) voirs(creven) voir hue(r) hem en(de) sijn naecomelinge den voirs(creven)/
ja(m)marde en(de) sijne(n) naecomelingen vanden regime(n)te der voirs(creven) goede/
en(de) van allen den ghenen des hij vanden voirs(creven) goeden bynne(n) dat/
hij de selve goede gehanteert heeft ingehave(n) en(de) opgebuert mach/
hebben en(de) desgelijx van des hij metten voirs(creven) goeden in eneger wijs/
gedaen mach hebben in wat manie(re)n dat geschiet mach sijn/
volcomelijc quijtgeschouden Geloven(de) voe(r) hem en(de) sijn nacolaet [voir sijn erfgename(n)]/
den voirs(creven) ja(m)marde en(de) sijne(n) naecomelinge(n) noch sijne(n) erve(n) d(aer) af/
nu(m)mermeer aentespreken te doen aenspreken moeyen noch [oft] vexe(re)n/
bij hem selven noch bij nyemande anders in ghene(n) rechte ghestelijc/
noch weerlijc in gheenre manie(re)n cor(am) eisd(em)
ContributorsKarel Embrechts
Moderated byKarel Embrechts
Last update: 2012-08-28 by Sabrina Keyaerts