SAL7334, Act: R°51.1-R°52.1 (45 of 429)
Search Act
previous | next
Act R°51.1-R°52.1  
Act

Transcription

2012-07-31 by xavier delacourt
Het zijn comen in rechte inde banc voir meye(r) en(de) scepen(en) van loven(en) /
h(er) jan he(re) van dongelberghe in deen zijde en(de) amelijs van /
herbat poirt(er) van loven(en) inden dorpe van dongelberge wonech /
tich en(de) gesete(n) ter ande(re) aldair de voirs(creven) h(er) jan een /
aensprake dede ten voirs(creven) amelijs w(er)t seggen(de) dat de /
heerlich(eit) van dongelberghe hoghe en(de) neder hem toebehoirde /
en(de) dat alle de ghene bynne(n) den dorpe van dongelberge /
onder hem geseten die p(er)de en(de) waghen hielden hem toeghst /
zijn hoey inne vuerden desgelix zijn colen haelde(n) talle(n) /
tiden als hij des behoefde en(de) of inde(n) selve(n) dorpe yema(n)t /
sate die niet meer dan een peert en hadde dat /
hij dat aen eens anders waghen inne spiene en(de) dat /
uut elke(n) huyse daer waghen noch p(er)de gehoude(n) en /
worden een p(er)soen toeghste zijn hoeye sculdich wae(re)n te /
hoeyen en(de) dat hij en(de) zijn voirsete(n) die heerlicheit /
ov(er) dond(er)seten vanden dorpe van dongelberghe van /
opgeldenake van piet(er)bais van aildevronc? en(de) van /
vrocquijt gehadt hadden over xxx xxx xl l jair /
en(de) daghe en(de) of yema(n)t hem weyg(er)de de voirs(creven) punte(n) /
te doen bynne(n) den voirs(creven) dorpen gesete(n) dat zij dan /
vand(en) heerlich(eit) van dongelb(er)ge d(air) toe met pandinge(n) /
en(de) andersins voirmaels bedwonge(n) hadden geweest /
en(de) worden en(de) de boeten d(air) af met bedwange van /
rechte d(er) voirs(creven) heerlich(eit) betaelden seggen(de) voert /
dat de voirs(creven) amelijs inden voirs(creven) dorpe woende /
en(de) de corweyde(n) ind(er) voirs(creven) maten tot heer toe gedaen /
hadde(n) welke poente(n) de voirs(creven) h(er) jan boet te thoene(n) /
en(de) mette(n) mynste(n) inde(n) rechte te volstaen hoepte /
en(de) meynde of hij die gethoene(n) conste dat de /
voirs(creven) amelijs hem de voirs(creven) corweyde(n) als hij d(aer) toe /
versocht worde doen soude en(de) sculdich wae(re) te /
doen en(de) des genueghde hem wael trecht
//
Daer op de voirs(creven) amelijs hem verantw(er)den(de) dede seggen hopen(de) /
te vorsten dat de he(re) van dongelberghe ne(m)mermeer /
thoene(n) en soude dat hij of dond(er)sete(n) vande(n) voirscr(even) /
dorpe(n) de voirs(creven) corweyden van rechte daden of sculdich /
wae(re)n te doen maer dat de voirs(creven) corweyde(n) den /
voirs(creven) he(re) van dongelberge bide(n) ond(er)sete(n) vande(n) dorpen /
voirs(creven) gedaen w hadde(n) geweest uut beeden en(de) van /
goed(er) tien(er) heyde(n) en(de) anders niet hopen(de) d(aer) om /
vand(er) aensprake(n) ongehoude(n) te sine d(aer) op en(de) des /
geliefde hem wael trecht d(aer) op de scepen(en) gemaent /
vande(n) meye(r) wijsden den voirs(creven) h(er) ja(n)ne tsijne(n) thoenisse /
ten daghe van thoene(n) kynde de voirs(creven) amelijs /
dat de heerlich(eit) van dongelb(er)ge hoghe en(de) neder /
den voirs(creven) he(re) janne toebehoirde Thoende voert /
de voirs(creven) h(er) jan he(re) van dongelberghe dat de voirs(creven) /
amelijs inden dorpe van dongelberge sate en(de) /
woende en(de) dat hij voermaels de voirs(creven) corweyde(n) /
en(de) tot heer toe selve gedaen hadde Thoende /
voert de voirs(creven) he(re) van dongelberge met vi goeden /
ma(n)nen dat deen vande(n) tide van xxxii xxxiii jae(re)n /
en(de) dande(re) ov(er) xl en(de) l jae(re)n dat sij gesien hadde(n) /
zijden den voirs(creven) tide dat dond(er)sete(n) des he(re)n van /
dongelberghe [te dongelberge] die getruwe hielde(n) den selve(n) he(re) en(de) /
sine(n) voirsete(n) huer hoeye en(de) colen inne vuerde(n) en(de) /
haelde(n) en(de) dat de ghene die maer i peert /
en hielde(n) dat in eens anders waghen moeste(n) /
spanne(n) om de voirs(creven) corweyde(n) te doen tuychde(n) voert /
dat e uut elke(n) huyse een p(er)soen d(aer)men gheen /
p(er)de en hielde thoey des he(re)n van dongelberge /
hoeyden tuyghde(n) voert dat de ghene die hen /
d(aer) jegen rebel maecte(n) bide(n) s(er)gant of diene(re) des he(re)n /
van dongelberghe bedwongen hadde(n) geweest met /
pandinge(n) en(de) dat de ghene die gepant wae(re)n /
hue(re) pande dan losten en(de) d(aer) mette(n) boete(n) en(de) deden
//
de corweyden inder voirs(creven) maten Seyden voirt de voirs(creven) ghetuygen /
dat sij dat hue(re)n ouders hadden hoe(re)n seggen dat dat voirmaels /
alsoe ghehanteert hadde gheweest de scepen(en) van loven(en) dair /
op voirt ghemaent wijsden voir een vo(n)nisse nae aenspraken /
verandwerden en(de) thoenisse want de vors(creven) sake der heerlech(eit) /
aen ruerde sat sij die sedten ter plaetsen dair die behoirde /
p(rese)nt(ibus) lomb(ar)t abs(oloens) roel(ants) ca(pelle)[ma(n)] velde lynt(er) iunior aug(usti) /
aug(usti) iiii[ta] /
ContributorsInge Moris
Moderated byThe Administrator
Last update: 2012-05-10 by Inge Moris