SAL7361, Act: R°5.1-R°6.1 (12 of 504)
Search Act
previous | next
Act R°5.1-R°6.1  
Act
Date: 1467-07-06

Transcription

2019-07-07 by myriam bols
Item robbijn van yuect sone wijlen jans ende goedele van ravescote/
dochte(r) henrix van ravescote in p(rese)ncia hebben gehuert en(de) bekint/
dat zij gehuert hebben tegen pete(re)n beyart clerc met consente en(de)/
wille joes beyarts zijns brued(er)s ende pet(er)s beyarts zone wijlen/
henrix zijns neve(n) [die] in desen op hem neemt ende geloeft heeft/
te v(er)vaene zijn brued(er) en(de) sust(er)s die stove metter haven dair/
inne sijnde hier nae gespecificeert ende den eene(n) huyse voer/
aen strate gelegen inden wyerinc tusscen janne willemair/
ende everarde de pape comen(de) acht(er) tot op de dijle gelijc de selve/
Te houden te hebben ende te gebruyken van sint jansmesse/
bap(tis)[te(n)] lestleden eene(n) t(er)mijn van sesse ja(r)en lanc due(re)nde deen/
nae dande(re) staphants zonder middel volgen(de) elx jaers d(air)enby(n)ne(n)/
o(m)me ende voe(r) tweenvijftich pet(er)s te xix stuv(er)s tstuc ante/
dat(is) p(rese)nciu(m) mo(n)e(ta)[t(is)] te weten alle maenden vier pet(er)s sesse/
stuv(er)s en(de) een pl(a)c dair af den vors(creven) pete(re)n beyart clerc/
den vors(creven) t(er)mijn due(re)nde te betalen quol(ibet) ass(ecutu)[m] Met vorweerde/
dat de selve peter den vors(creven) t(er)mijn due(re)nde houden sal de/
vors(creven) huysinge van wande ende dake in redelicheid(en) zonder/
voird(er) gepraemt te zijne It(em) zullen de vors(creven) robbijn en(de) goedele/
den voirs(creven) t(er)mijn due(re)nde [sculdich sijn] de vors(creven) stove [alsoe wel der vrouwen als d(er) ma(n)ne(n)] binne(n) te houden/
op hue(re)n cost van goeden planckie(re)n bancken gelasen vynste(re)n/
ende kakelen wel ende loflic ende te hue(re)n afsceiden die alsoe [te] laten ende besundert de ma(n)nen stove van nyeuwen/
eyken(en) herdden planckie(re)n en(de) bancken want zij die alsoe alsnu/
aenveerden zullen It(em) [en] sullen die zelve robbijn en(de) goedele/
die vors(creven) stove bynne(n) den vors(creven) t(er)mijne nyemande anders/
moighen verhu(er)en zond(er) (con)sent des vors(creven) pet(er)s Is voirt vorweerde/
wairt tsake dat inde vors(creven) stove oft huysinge d(er) selver e(n)nige/
schade gesciedde dat god verhueden moet van brande oft and(er)si(n)s/
ende dat dat toequame van hue(re)n liecht den liechte oft viere/
oft oic van weghen der vors(creven) robbijns en(de) goedelen van qualic/
toe te siene oft and(er)s dat zij die schade oprichten selen geheelic/
ende al maer geboirdet alsoe dat die and(er)sins toequame d(air) aff
//
souden zij ongehoude(n) zijn it(em) want de voirs(creven) robbijn en(de)/
goedele gekint hebben aengeveerdt te hebben ende ontfange(n)/
mett(er) vors(creven) stoven die goede hier nae bescreven die thue(re)n/
aenveerden geschat wa(r)en bijden gesworen(en) schatters ende/
op hue(re)n eedt als h(ier) nae voch volcht Soe es vorweerde ende/
hebben geloeft de selve robbijn en(de) goedele die den vors(creven) pete(re)n tot/
hue(re)n afsceiden alsoe goet weder te leve(re)n en(de) ten prijse vanden/
schatters als voe(r) inden yersten den v(er)neysketel op ix g(ri)pen/
It(em) xiii beckene wegen(de) ond(er) groot en(de) cleyne wegen(de) tsamen/
lxxxiii l(i)b(ra) op viii g(ri)pen It(em) vier cleyn ketelkens op een gripe/
It(em) inde vrouwen came(r) vi bedden en(de) een zijdele op xiii g(ri)pen It(em)/
opden papegay ii bedden een zijdele en(de) eene baycuype op vier/
g(ri)pen It(em) de nyeuwe came(r) ii bedden een baycuype en(de) eene(n) zetel/
sesse g(ri)pen It(em) op tstoefken ii bedden een zijdele op vier g(ri)pen It(em)/
marioens came(r) drie bedden op vijf g(ri)pen It(em) anne(n)s came(r) aende/
coken(e) drie bedden een baycuype eene(n) zetel drie quade cleerke(n)s/
op vijfthien g(ri)pen It(em) opde lelycame(r) drie bedden een zijdele op/
thien g(ri)pen It(em) opden valcke twee bedden een zijdele op vii g(ri)pen/
It(em) [op] den roesen hoet twee bedden een zijdele eenen zetel twee/
quade clede(re)n [op] sesse g(ri)pen It(em) op tshertogen came(r) drie bedden/
een zijdele eene(n) gedraeydden zetel twee scrijne(n) op achtien/
g(ri)pen It(em) opden pau twee bedden twee zijdelen twee quade/
clede(re)n [op] achtien g(ri)pen It(em) opde sterre vijf bedden een zijdele/
op derthien g(ri)pen It(em) opt kauken een bedde eene(n) zetel op/
twee g(ri)pen It(em) opt croenken een bedde eenen zetel op vijf g(ri)pen/
It(em) opden wijngart twee bedden een zijdele op vi g(ri)pen It(em)/
opde(n) sint jorijs drie bedden op sesse g(ri)pen It(em) eene(n)dertich oer/
cussen(en) op vier g(ri)pen It(em) eene(n) vijftich paer omslaeghe tsestich goed(er)/
paer slapelaken(en) d(air) ond(er) vier paer doer [goed(er)] breedbreyde wa(re)n op/
ac met eene(n)dertich wynden tsamen op achtenvijftich g(ri)pen/
en(de) een halve It(em) twee scrijne(n) metten planckie(re)n vier wasch/
ruypen twee terdecuypen drie drincpotte twee asch cuypen/
een grote scheppe en(de) doven yser tsame(n) op drie g(ri)pen It(em)/
noch twee yse(re)n gaffelen een aschbecken een coelvat een
//
buydel kiste een scheppe en(de) tghereck vanden ho oven al onge/
taxeert Item es te weten dat elke der voirs(creven) g(ri)pen getaxeert/
es op veertich pl(a)c(ken) brabants gelts It(em) bevontmen dat de/
vors(creven) geschatte goede ten afsceiden des vors(creven) t(er)mijns beter bevo(n)de(n)/
wa(r)en dan die gelic vors(creven) steet geschat zijn soe sal de vors(creven)/
pet(er) dat den vors(creven) robbijne en(de) goedelen opleggen ende wa(r)en/
die alsdan arg(er) bevonden soe selen die selve gehuysschen [robbijn en(de) goedele] hem/
dat voldoen en(de) opleggen mote(n) alsdan ter stont als v(er)reycte/
schout en(de) altijt ter estimacien en(de) schatten(e) der vors(creven) gesworen(en)/
schatters It(em) hebben de voirs(creven) g robbijn en(de) goedele geloeft/
den vors(creven) pete(re)n dat zij hem gheen hinder doen en selen noch/
laten gescien bij hen selven oft yemande and(er)s met e(n)nigen/
scepen(en) brieve(n) van beleide van loeven(en) oft and(er)ssins noch gheen/
ande(re) beleide noch brieve maken en selen die hem (con)trarie(re)n/
souden moigen oft hind(er)lijc wesen in des vors(creven) steet in e(n)nig(er)/
manie(re)n Hebben voirt de selve go robbijn en(de) goedele/
geloift dat sij tschatgelt aende schatters ten afsceide te/
alleene dragen selen op hue(re)n last want dat zond(er) hue(re)n/
last betaelt wart doen die vors(creven) goede yerst geschat wa(r)en/
en(de) hen die gelevert wa(r)en Ende alle dese vorweerd(en) (et)c(etera)/
Hier af zijn borghen der vors(creven) robbijns en(de) goedelen als p(ri)nci/
pael sculde(re)n indivisim henric van raveschote vader der/
vors(creven) goedelen peter en(de) denijs van raveschote zone(n) des/
vors(creven) henrix en(de) bruede(re)n der selver goedelen ende raes vand(en)/
borchove(n) sone jans vand(en) borchove(n) [r(e)nu(n)c(iantes) in q(uan)tu(m) int(er)sint] Et q(ui)nq(ue) p(ri)mi insup(er)/
duo p(ri)mi Hebben voirt de vors(creven) robbijn ende goedele indivisim/
geloift den vors(creven) pete(re)n [beyart] tot sijnd(er) maniss(en) te stellen eene(n) alsoe/
goeden borghe voer al des vors(creven) es alse jan van raveschote/
oem der selver goedelen es ende soe wanneer dat gedaen/
es sal de vors(creven) denijs der vors(creven) borchtocht ongehouden zijn/
cor(am) colonia ouderogghe julii vi[ta]
ContributorsMi-Je Van Gils
Moderated byMi-Je Van Gils
Last update: 2016-06-21 by Jos Jonckheer