SAL7375, Act: V°114.2 (256 of 1101)
Search Act
previous | next
Act V°114.2  
Act
Date: 1481-10-12

Transcription

2020-06-11 by Dieter Taillieu
It(em) henr(ic) van daelhem woenen(de) te roesbeke heeft gelooft katlijne(n)/
vand(er) couthe(re)n weduwe jans wilen de ridde(re) dat zij met eender rekeni(n)gen/
die zij hem doen sal vand(en) bewinde en(de) hanteringen die zij gehadt/
heeft vanden goeden en(de) onderpanden huer(en) viii mudden corens erfspachts/
die zij heeft met scepen(en) brieve(n) van loeven(e) welke onderpande onder/
boutershem onder vertrijcke en(de) dairomtrint gelegen zijn en(de) zij met/
leveri(n)gen uut des(er) stadt versueke geschiet en(de) vo(n)nissen der scepen(en)/
van loeven(e) dair uut gevolcht gehouden heeft sal passe(re)n en(de) gestaen/
en(de) dat hij der selver weduwen die rekeni(n)ge gepuert beslicht en(de)/
gepasseert zijnde uutreycken cuelen en(de) betalen ta(m)q(uam) ass(ecutu)[m] alsulken/
rest alse hue(r) d(air)af sal moegen comen inde est fideiussor d(i)c(ti) henrici/
ta(m)q(uam) debitor p(ri)ncipalis joh(ann)es zannen f(ilius) quond(am) henrici co(m)mor(ans) apud/
roesbeke et p(ri)m(us) cor(am) buetsele hoelair octobr(is) xii
ContributorsLieve Van Hoestenberghe
Moderated byLieve Van Hoestenberghe
Last update: 2017-01-25 by Xavier Delacourt