SAL7384, Act: V°446.1 (805 of 1044)
Search Act
previous | next
Act V°446.1  
Act
Date: 1491-04-12

Transcription

2020-09-04 by fernand BERTRAND
Vand(er) questien gecomen voir meye(r) ende scepen(en) tussche(n)/
andriese andries aenlegge(r) t(er) eenre tege(n) jacoppe/
lyemi(n)cx t(er) ande(re) aldair de voirs(creven) andries te/
kenne(n) gaff hoe dat hij stont verbonde(n) met/
scepen(en) br(ieven) van arschot aen katlijne(n) wijle(n) van/
altena en(de) katlijne(n) van bla(n)kelair docht(er) wijle(n)/
meest(er)s lod(ewijcx) de vette(re) in ond(er)halve(n) rijd(er) lijfpen(sien)/
nae uutwijsen d(er) scepen(en) br(ieven) d(air)aff sijnde ende/
dat hij den voirs(creven) jacoppe als voirgange(r) en(de)/
rintmeest(er) van henr(icke) van daelhem ind(en) name/
d(er) voirs(creven) katlijne(n) wijlen van altena huysvr(ouwe) des/
voirs(creven) henr(ix) van daelhem in hue(re)n leven(e) afgeleet/
hadde de hellicht vand(en) voirs(creven) rinten beduchten(de)/
hem d(air)af van katlijne(n) van blankelair oft hue(re)n/
mo(m)bour vand(en) geheele(n) gemoeyt te wordden/
met rechte oft and(er)ssins hopen(de) alsoe mits der/
clachten die hij opden voirs(creven) jacoppe hadde/
gedaen dat hij hem dair voe(r) innestaen soude/
Want hij de pe(n)ni(n)g(en) gehave(n) hadde en(de) oick/
behoirlijck acquijt doen oft doen doen hem genoech/
sijnde Dair tege(n) de voirs(creven) jacop heeft gealleg(eer)t/
genoech beki(n)nen(de) de pe(n)ni(n)gen te hebben(e) want/
jan vand(en) hove die de voirs(creven) katlijne van/
bla(n)kelair getrout heeft den voirs(creven) andriese/
met gheene(n) rechte geport en hadde noch voir/
de voirs(creven) een hellicht afgeleeght gepraemt/
hoe wel hij hem tselve mocht geseet hebbe(n)/
dat te doene dat mits dien deselve andries/
andries te vroech op wa(r)e en(de) in desen verdoelt/
met meer woird(en) in wed(er)sijd(en) gealleg(eer)t Es/
gewesen t(er) manissen smeyers bijd(en) scepen(en) nae/
dbekenne(n) des voirs(creven) jacops vand(en) pe(n)ning(en)/
gehave(n) te hebben(e) ind(en) name als vo(r)e en(de) ind(en)/
leven(de) katlijne(n) wijle(n) altena voirs(creven) dat hij va(n)d(en)/
selve(n) gehaven(en) pe(n)ni(n)g(en) te weten(e) vand(er) eend(er) hellicht/
d(er) voirs(creven) rinte(n) den voirs(creven) andriese innestaen sal/
en(de) d(air)aff ontheffen en(de) de(n) selve(n) behoirlijck acquijt/
doen genoech wesende op dat hijs behoeft en(de)/
begheert Act(um) in scampno aprilis xii
ContributorsGreet Stevens
Moderated byGreet Stevens
Last update: 2014-09-04 by Dieter Peeters