SAL7387, Act: R°35.3-V°35.1 (70 of 886)
Search Act
previous | next
Act R°35.3-V°35.1  
Act

Transcription

2019-05-04 by kristiaan magnus
Opde questie gepoirt voe(r) den raide vander stadt/
tussche(n) goessen(e) vand(er) moelen die ald(aer) hadde doen bescrive(n)/
de bedesett(er)s van wynghe t(er) eenre en(de) ja(n)ne cluwens/
henr(icke) toppe [vacat]
//
en(de) willem(me) van wersbeke bedesett(er)s voirs(creven) t(er) ande(re)/
om der beed(en) wille die zij den selve(n) goessen(e)/
geeyscht hadden van zijne(n) goed(en) te wynge t(er) beden/
liggen(de) vele hoog(er) dan hij meynde d(aer)af sculdich/
te zijne en(de) alsoe hooge als zij gedaen hadde(n) den/
voirs(creven) ja(n)ne cluwens die ongelijck soe hij hielt/
rijker was en(de) bat gestaet van erfgoeden dan hij/
sonder aengesien te hebben dat hij onlancx op zijn goed(en)/
v(er)cocht hadde twee mudde(n) corens ende was he(m) d(aer)/
voe(r) doen afpanden eenen sijne(n) tabbart d(aer)af hij restitutie/
beg(er)de op redelijcke betalinge gelijc ande(r) zijns gelijcke/
nae advena(n)t van zijne(n) goed(en) Te voirde(r) want/
zijn erfgoede zoe zee(r) beco(m)mert wae(re)n dat hij nauwelijc/
d(aer)op en soude weten vinden te v(er)coopen en(de) te v(er)pand(en)/
een mudde corens erffelijc en(de) was zijn huysvrouwe/
cruepel wijf en(de) hue(re)r led(en) o(n)mechtich hebben(de) tsame(n)/
vier jonge kinderkens en(de) gedroech dese settinge/
xxxvii(½) st(uvers) gelijc en(de) alsoe hooge als de voirs(creven) jan/
cluwens hem selve(n) gesedt hadde P(rese)nte(re)nde dese/
pointen deselve goessen te thoenen oft hem die/
ontkint wordden en(de) metten mi(n)sten te gestaen/
D(aer) tegen de voirs(creven) bedesett(er)s antwerdden(de) ontkynden/
tvoirneme(n) vand(en) voirs(creven) goessen(e) e(m)mer int point/
vand(en) rijckdo(m)me dat de voirs(creven) jan cluwens bij nae/
noch soe vele goets soude hebben als de voirs(creven)/
goessen Ende oic ind(en) pointe vand(er) snoedich(eit)/
van goessens goed(en) es geappointeert en(de) uuyt/
gesproken den thoen des voirs(creven) goessens in des(er)/
aengehoirt die tvercoepen vanden twee mudde(n)/
corens op zijn goed(en) genoech cleerd(en) geschiet te zijne/
mair niet van noode Oick tpoint vand(en) cruepelh(eit)/
en(de) o(n)mechtich(eit) van zijnen wive gelast met vier/
cleyne kinderkens oick dat jan cluwens een/
der bedesette(re)n meer erfgoed(en) heeft dan goessen/
en(de) dat dat zij beyde eve(n)hooge geset sijn dat/
de voirs(creven) bedesett(er)s den voirs(creven) goessen(e) v(er)last hebbe(n)/
met hue(re)n sette(n) en(de) dat zij sculdich sulle(n) zij(n) he(m) in dien nairde(r)/
te besnijd(en) nae dat de wairh(eit) gedragen heeft in (con)s(ili)[o] op(idi) julii/
xxvi
Contributorskristiaan magnus , Karel Embrechts
Moderated byKarel Embrechts
Last update: 2017-01-25 by kristiaan magnus