SAL7393, Act: V°110.2-R°113.1 (211 of 691)
Search Act
previous | next
Act V°110.2-R°113.1  
Act
Date: 1499-10-11

Transcription

2019-03-06 by helga peeters
Nae dien bijden raide vand(er) stadt zijn geco(m)p(ar)eert/
arnt van meerbeke en(de) jan de leeu hen seggen(de)/
besetters vand(en) dorpe van tieldonck t(er) eend(ere) ende/
jan vand(en) heetvelde t(er) and(er) zijd(en) ald(air) de voirs(creven)/
bedesett(er)s geheyscht hebben den selven janne de bede/
van seke(re)n goeden ende rinte(n) die zij bij specificatien/
ov(er)gaven bij gesc(ri)fte(n) d(air) van de tenue(re) hier nae/
volght Dit zijn alsulcke goede als jan van/
heetvelde liggen(de) heeft ond(er) thieldonck en(de)/
d(air)af de bedesetters eysschen(de) zijn de beede (et)c(etera)/
ende yerst tgroot block gelegen acht(er) thof desselfs/
jans houdt zesse boende(re)n Item tcleyn bloc/
houdt vier boende(re)n It(em) opt hoegevelt vi boende(re)n/
Item op darke twee boende(re)n It(em) op cro(m)me/
leeps twee boende(re)n Item ten cleyne(n) boemorte(r)/
een boend(er) It(em) op daeld(er)velt i(½)[dach(mael)] It(em) opde berct i(½)/
dach(mael) in drie stucke(n) It(em) opde boestinck (½) dach(mael) It(em) opden/
cleyne(n) boemorte(r) i(½) dach(mael) hier nae volgen de rinte(n)/
die jan voirs(creven) heeft in tselve dorp yerst opde goede/
van rase mathijs de so(m)me van elf r(ins)g(ulden) It(em) va(n) eeussel/
gelde ts(jae)[rs] xiiii hollan(tsche) g(ulden) It(em) opde goede lod(ewijcx) goirts/
kinde(re) ix r(ins)g(ulden) It(em) opde goede geh(eten) den lauwerdriesch/
de so(m)me van twee crone(n) It(em) noch een mudde rogs/
opde goede des voirs(creven) raes mathijs It(em) de lande voirs(creven)/
plegen jairlijcx te gelden(e) de so(m)me van xl mudde(n) rox
//
hopende ende meynen(de) dat hij de bede mijns gened(ichs)/
he(re)n sculdich soude zijn te bet(alen) vand(en) voirs(creven) goeden/
en(de) rinten te voirde(r) want soe zij namaels p(rese)nteerd(en)/
te thoenen(e) de voirs(creven) goed(en) ende rinte(n) liggen(de) onder/
div(er)se hoven verthiert ende v(er)andert zijn geweest en(de)/
dat hij jan bij guedingen van wijlen zijne(n) sweer/
he(re)n willem(me) van assche d(air) toe comen es gelijcme(n)/
dat bevi(n)den soude van levend(er) wairheyt ende/
and(er)ssins vand(en) bancken ende hoven d(air) ond(er) die/
sorte(re)nde wae(re)n ende dat hij alsoe sculdich soude/
zijn d(air)af de bede m(ijns) gened(ichs) he(ren) te betalen als/
ande(re) poirt(er)s en(de) ingeseten(en) vand(en) steden d(air) op/
de voirs(creven) jan antw(er)den(de) heeft geseet opde voirs(creven) /
ov(er)gegeven(e) cedulle totter clausele(n) toe h(ier)nae volgen/
de rinten (et)c(etera) hoe dat hij jan hem in des(er) ver/
wond(er)de vanden voirnemen(e) der voirs(creven) bedesett(er)s/
ende dat zij v(er)doelt zijn hem e(n)nige bede te eysschen(e)/
van dien goeden gemerct dat de selve goede/
en(de) dmeeste deel van dien zijn stocgoede gecome(n)/
vanden ouders en(de) voirseten van wijlen zijnd(er) huysvr(ouwe)/
geheeten lijsbeth van assche die de selve over/
vele jae(re)n beseten hadden nae inhoudt den besceyde/
van brieven ende and(er)ssins bij hem geexhibeert/
en(de) dat die hem in huwel(ike) gegeven wae(re)n bijden/
voirs(creven) he(re)n willem(me) met sijnder dochter It(em) datmen/
oic niet bevi(n)den en soude noch de bedesetters en souden/
co(n)nen gethoenen dat hij noch zijn voirseten oyt te scote/
oft lote d(air) af gestaen hadden oft dat die vand(en) dorpe/
over x xx xxx jae(re)n en(de) dagen der possessien van/
beden d(air) af gehadt hadden ende dat die bijd(en) voir/
seten v(er)cregen zijn tegen gevrijdde p(er)soenen te weten(e)/
tegen die van thuydekem inder maten de br(ieven) d(air) af bij hem geexhibeert dat uutwijsen die altijt in/
vryen steden geseten hebben ende dat de bedesett(er)s/
in dien verdoelt wae(re)n naed(er) instructien opt stuck
//
vander betalingen vand(en) beeden geordineert a(n)no/
li seyt voirt de selve jan opde navolgen(de)/
pointen ende specificatien der voirs(creven) ov(er)gegeven(en)/
cedullen ende yerst opt point vand(en) elf r(ins)g(ulden)/
datme(n) niet bevi(n)den en soude dat die oyt ter/
beden gestaen hadden ende vand(en) xiiii hollan(tsche)/
gulden(en) vanden eeusselgelde dat die wae(re)n/
vand(en) natue(re)n ende wesen(e) als zijn goede/
d(air) af inden voirs(creven) zijne(n) yerste(n) ar(ticu)[le] van zijnen/
v(er)antw(er)den(e) mentie gemaict wordt meynende/
mits den selven reden(en) d(air) af ongehouden te zijne/
Item opt point vanden ix r(ins)g(ulden) ind(en) voirs(creven)/
cedullen begrepen seyt de selve jan dat hij/
ald(air) gheen ix r(ins)g(ulden) en hadde opde goede/
lodewijcx gheerts mair hij en woude niet/
ontkynnen hij en hadde een seker erve gecocht/
van seke(re)n huysen tegen den selven d(air) hij/
zijn coren ende ande(re) vruchten inne mach/
leggen ende grotelijc gebeetert hadde/
in dien dat hij sijn wynhof ald(air) bij brande/
ind(en) lest(en) divisien v(er)loren hadde hopen(de) oic/
want hij d(air) af gheen possessie en hadde/
ongehouden te zijne ende dat die ghene/
d(air) af hij die erven gecregen hadde tot gheend(er)/
beeden gestaen en hadden hoe wel die buyte(n)/
sitten mochten ende opt point vand(en) twee c(ro)ne(n)/
opde goede geheeten den lauwerdriesch heeft de/
selve gesustineert want die comen wae(re)n uuyt/
vryer hant te weten(e) van henr(icke) metten gelde/
die alh(ier) te loeven(en) woenachtich was dat hij/
d(air) af ongehouden zijn soude Ende als vanden/
mudde roghs op de goede raes mathijs seyt/
de selve hoe wel hij tselve mudde erffel(ijck)/
vercregen mocht hebben dat hij hem selve(n)/
d(air) af niet v(er)loeft en hadde noch t(er) beden gestaen
//
Ende al mocht hij vand(en) goeden hem bij willem(me)/
wijlen van assche in huwelijcke gegeven guedi(n)ge/
genomen hebben vand(en) hoven d(air) onder die sorte(re)n/
dat was gesciet t(er) meerder sekerheyt der selver/
huwelijcker vorwerden in dien dat zijn huysvr(ouwe)/
was natuerlijck en(de) en was dat niet te r(e)p(rese)nte(re)n/
voir een vreemde v(er)thieri(n)ghe vand(en) eend(er) hant/
t(er) ande(re) gemerct dat die goede bleven zijnd(er)/
huysvr(ouwe) die vand(en) bloede was d(air) op de goede/
gerust hadden en(de) dat hem dat alsoe niet en/
conste gep(re)judice(re)n de voirs(creven) bedesetters t(er) (contra)rien/
r(e)plice(re)nde bleven bij hue(re)n voirnemen(e) want die/
verthiert wae(re)n ende bij guedingen he(m) bij/
he(re)n willem(me) wijlen van assche getransporteert/
als voe(r) ende oick eensdeels v(er)cregen dat hij/
d(air) af en(de) van al bede geven soude de voirs(creven)/
jan duplice(re)nde heeft genoech mits den reden(en)/
als voe(r) gesustineert de (contra)rie hem r(e)fere(re)nde op/
al totten rechte Ende nae dien de voirs(creven) bede/
setters bij t(er)mi(n)acien der voirs(creven) wethoude(re)n en(de) rade/
tot hue(re)n thoene gewijst zijn van hue(re)n feyten/
en(de) bijleggen(e) in desen ende de voirs(creven) jan totter/
totter exhibitien van zijne(n) br(ieven) der goeden ende/
rinten voirs(creven) hebben de selve bedesetters/
ten dage d(air) toe dienen(de) eensdeels genoech/
gethoent dat de voirs(creven) goede hem bij he(re)n/
willem(me) als voe(r) in huwelike gegeven bij/
guedingen voir hoff ende hee(re) getra(n)sporteert/
zijn en(de) dat onder div(er)se bancken d(air) die onder/
sorte(re)nde wae(re)n t(er) meerd(er) sekerheyt als voe(r) van/
sijne(n) huwelijcke hoe wel de voirs(creven) bedesett(er)s/
luttel oft niet en thoenden vand(en) possessien/
vand(en) beeden die zij oyt oft hue(r) voirseten/
vand(en) selven goeden gehadt souden hebben
//
en(de) alsoe op all gelet zijnde bijden voirs(creven)/
rade nae dien p(ar)tien voirs(creven) hue(r) sak(en)/
gesloten hadden en(de) beg(er)den en(de) beg(er)den recht/
int pri(n)cipael es get(er)mineert en(de) uuytgesproken/
bijden selven raide den selven p(ar)tien voir/
recht dat de voirs(creven) bedesetters v(er)doelt zijn/
e(n)nige beede te eysschen(e) vand(en) goeden/
gecomen ende gedescendeert van he(re)n willem(me)/
wijlen van assche te weten(e) vand(en) landen/
weyhue(re)n metter heerlijch(eit) die de selve/
h(er) willem van assche met zijnd(er) natuerliker/
docht(er) janne in huwelijcke gegeven/
hadde onder thieldonck gelegen It(em) opt point/
vanden elf rinsg(ulden) opde goede raes wijlen/
mathijs es insgelijcx get(er)mineert gemerct dat/
die rinte oic compt van he(re)n willem(me) van/
assche als de aenlegge(re)n bekynnen en(de) t(er) beeden/
niet gestaen en heeft dat zij oic d(air) mede/
verdoelt zijn e(n)nige bede d(air) af te eyssche(n) ende/
insgelijcx vand(en) xiiii holl(antsche) gulden(en) der weyhue(re)n/
nae dbekynnen vand(en) bedesetters in dien dat/
die vand(en) struycke van die van assche als/
voe(r) comen zijn ende ja(n)ne in huwelike geg(even)/
Ende als vand(en) ix rijnsche g(ulden) die jan hebbe(n)/
soude op de goede lodewijcx gheerts kinde(re)/
d(air) af nochtan de selve den gront heeft/
dat hij jan hoe wel hij den selve(n) gront/
gebetert mach hebben gestaen sal betalen(de)/
t(er) causen van dien bede als van ix r(ins)g(ulden)/
tsjairs ende nae advena(n)t van dien als/
ande(re) poirters ende ingeseten(en) ende als vand(en) twee cronen opden lauwerdriesch/
dat de selve bedesetters d(air) af v(er)doelt/
zijn gemerct dat den gront d(air) die op/
stonden comen es uuyt vryer hant en(de) oick
//
dat de bedesetters niet gethoent en hebben/
e(n)nige possessie van beeden d(air) af gehadt/
te hebben Ende ten lesten als vand(en) mudde/
corens aen raese mathijs es duytsprake/
der selver wethoude(re)n dat jan d(air) af sculdich/
sal zijn de bede te betalen(e) act(um) in (con)s(ili)[o] op(idi)/
p(rese)ntib(us) tymple sub(stitu)[to] buets(ele) burg(imagis)[tr(is)] borch zedele(re)/
scabinis et aliis de (con)s(ili)[o] octobr(is) xi
ContributorsJos Jonckheer
Moderated byJos Jonckheer
Last update: 2017-06-06 by Xavier Delacourt