SAL7393, Act: V°126.2-R°127.1 (237 of 692)
Search Act
previous | next
Act V°126.2-R°127.1  
Act
Date: 1499-11-04

Transcription

2019-03-13 by helga peeters
Item joes absoloens sone wijle(n) joes t(er) eende(re) en(de)/
jacop van brecht voir hem selve(n) en(de) oic als man/
en(de) mo(m)boir jouff(rouwe) beatric(en) abs(oloens) zijnd(er) huysvr(ouwe)/
sus(ter) des voirs(creven) joes absent zijnde qua(m) in hiis p(ro)sta(r)e/
p(ro)misit t(er) ande(r) zijd(en) in p(rese)ntia hebben gekint/
dat zij met malca(n)de(re)n v(er)accordeert zijn voir hen/
hue(re)n erven ende nacomelingen als vanden/
goeden have en(de) erve en(de) vliegen(de) erve leen/
eygen chijsen rinten pachten en(de) ande(re) gebleven/
en(de) verstorven nae de doot en(de) aflivich(eit) jouffr(ouwe)/
g(er)trud(en) wijle(n) wittema(n)s wed(uw)[e] claes wijle(n) de kersmake(re)/
der pointen vorw(er)den en(de) (con)ditien h(ier)nae bescr(even) die zij/
malcande(re)n voir hen hue(re)n erven en(de) nac(omelinge) geloeft/
hebben tond(er)houden(e) ende te voldoene ende yerst/
dat den voirs(creven) joese absoloens sullen volgen alle/
alsulcke(n) goede het zijn leengoede oft ande(re) alse int/
testame(n)t van wijle(n) jouffr(ouwe) g(er)trud(en) wittema(n)s boven/
begrepen staen beghynnen(de) joes mijn neve (et)c(etera)
//
opden co(m)mer dair voe(r) uuytgaen(de) Item noch allen/
tgoet dat bynnen den hove van overloe es ende/
bynnen platen desselfs hoefs uuytgenomen tcoren dat/
inde schue(r) es ende de drie p(er)de(n) eene(n) wagen een/
ploech ende een eeghde Ende jacop van brecht ende/
zijn huysvr(ouwe) sullen joesen voir scepen(en) van loeven(en)/
geloven los ende vry te houden(e) van allen sculden/
costen co(m)me(re)n legaten des voirs(creven) testame(n)ts kercke(n) rechte(n)/
borchtochten ende ande(re) lasten die claes de kersmake(re)/
en(de) sijn huysvr(ouwe) tsamen oft besund(er)t voir hen selven/
oft als borge voir andere gemaict moegen hebben/
oft sculdich moegen zijn diemen op huer goede/
oft den voirs(creven) joese(n) als een vand(en) aenverders van/
dien oft sijne(n) goeden souden moegen eyssche(n) in/
e(n)nig(er) manie(re)n ende noch sal jacop van brecht/
en(de) zijn huysvr(ouwe) dragen alsulken corenrinte als/
de mi(n)derbrued(er)s en(de) die van sinte berbelen op/
jouffr(ouwe) g(er)trud(en) wittema(n)s goede geeyscht en(de) gehaven/
hebben ende die te bevestigen op zijn goede als/
dat joes noch zijn voirs(creven) oft ande(re) goede oft erfge/
namen d(air) voe(r) niet gepraempt en wordden ende/
dies sal joes absoloens renu(n)cie(re)n en(de) verthijden van/
allen ande(re)n goeden het zijn leengoed(en) en(de) allen/
ande(re)n goeden van wat natue(re)n dat zij zijn die/
joesen van zijnd(er) moeyen wegen voirs(creven) v(er)storven/
zijn haeffel(ijck) ende erffelijck boven de legaten hem/
gemaict ende gelaten als voirs(creven) steet Ende de selve/
goede die d(air) meer zijn boven de legaten voirs(creven)/
en(de) de haeffel(ijcke) goede inden hove van ov(er)loe wesen(de)/
joesen bij desen toegevueght als voe(r) sullen volgen/
jacoppen en(de) zijnd(er) huysvr(ouwe) opde co(m)me(re)n en(de) lasten/
d(air) voe(r) uuytgaende cor(am) rosme(re) cav(er)chon nove(m)br(is)/
quarta
ContributorsJos Jonckheer
Moderated byJos Jonckheer
Last update: 2017-06-06 by Xavier Delacourt