SAL7761, Act: R°100.3 (306 of 650)
Search Act
previous | next
Act R°100.3  
Act
Date: 1473-01-22

Transcription

2020-07-04 by Walter De Smet
It(em) meester jan van overwynghe heeft wettelic gemechticht (et)c(etera) pet(ere)n/
lambeerts gheheten bote van cumptich en(de) henricken schoezitte(re) diene(r) svors(creven)/
meest(er) jans en(de) elken bizund(er) thoenre des(er) om alle des voirs(creven) meester /
jans tsijze rinten pachten en(de) sculden diemen hem nu sculdich es of namails/
wesen sal te manen teyschen op te boe(re)n en(de) tontfanghen den sculd(ere)n/
van heuren ontfanghe quijt te scelden en(de) quitancie te gheven De selve/
tsijze rinten pachten en(de) sculden en(de) alle zijn ande(re) saken en(de) stucken die hij/
nu te doen heeft of namails hebben sal moegen in aenlegg(er)s of verweerd(er)s/
stad aen en(de) tegen eene(n)yegeliken met rechte te v(er)volgen In for[ma] Geloven(de)/
vast Cu(m) (com)put(atione) (et) revoc(atione) pynnoc heyk(ens) januarii xxii
ContributorsJan Boncquet
Moderated byJan Boncquet
Last update: 2016-05-10 by Xavier Delacourt