SAL7770, Act: R°96.1-V°96.1 (179 of 897)
Search Act
previous | next
Act R°96.1-V°96.1  
Act
Date: 1483-09-13

Transcription

2021-11-06 by Transkribus Software
Item lodewijck uute(n) lyemi(n)gen ter eenre en(de) colijn de ronchijn/
ter ande(r) zijden in p(rese)ncia hebben gekint en(de) gelijdt dat zij tsamen/
hebben gerekent omtrint der maent van oegst anno lxxxii lestleden/
als van tgene des de voirs(creven) lodewijck schuldich mach zijn uut saken/
vanden vier rijders lijftochten die de voirs(creven) lodewijc met seke(re)n/
borgen en(de) scepen(en) brieve(n) van loeven(e) vander daet xiiii[c] lvii ix in septembr(i)/
schuldich is willem(me) datijn dair af de voirs(creven) colijn dbewijnt heeft gehadt/
en(de) heeft ierst vanden verschenen(en) pachten Is de voirs(creven) lodewijc tachter/
alsoe dat blijct bijder rekeni(n)gen die henrick van haresch die voe(r) den/
voirs(creven) colijn dbewindt vanden voirs(creven) willem(me) heeft gehadt vanden selve(n)/
bewinde gedaen heeft den momboirs ulti(m)a februarii lxxi xxviii rijders/
ii cronen It(em) van des seder der voirs(creven) rekeni(n)gen is gevallen d(aer)af den/
yersten t(er)mijn was april lxxii en(de) den lesten april lxxxii lestleden/
beyde incluys zijn elf geheele ja(r)en val(ens) xliii rijders Item dat/
buyten der voirs(creven) rekeni(n)gen den t(er)mijn van april die v(er)scheen/
anno lxxxiii en(de) den t(er)mijn van april a(n)no lxxxiiii naistcomen(de) so(m)ma/
so(m)mar(um) van des lodewijc uut saken als bove(n) tachter is lxxii rijders/
ii cronen De betalinge tegen de verschene(n) pachten Ierst bet(aelt)/
met vijf ellen lakens elcke elle ten prise van xxi stuv(er)s val(ens) v ryns/
gulden(en) v stuv(er)s den r(yns) guld(en) te xx stuv(er)s It(em) alsdoen noch in ghelde/
iii r(yns) g(uldenen) iii st(uvers) dit bekinne(n) colijn en(de) zijn wijf It(em) noch dat in handen/
mercx crauwels vorsters in handen gesedt wae(re)n bij lodewijcke twee/
pansie(re)n heeft lodewijc die gequete(n) met ii crone(n) die henrick de/
haresch hief val(ens) ii ryns gulden(en) viii st(uvers) hier op salmen hoire(n) m(er)cken/
crauwel It(em) noch dair nae in p(rese)ncien m(ijns) he(r)en smeyers den voirs(creven) wijle(n)/
henr(icke) gegeven viii crone(n) val(ens) ix r(yns) gulden(en) xii st(uvers) hier op salmen/
visite(re)n tregister der scepen(en) van loeven(e) want lodewijck siet h(ier) aff/
ki(n)nisse te hebben It(em) noch den voirs(creven) henr(icke) gegeve(n) tsijne(n) huys dair hij/
speelde inde berders iiii rijders dit bekinne(n) zij It(em) nae de doot des/
voirs(creven) henricks gegeve(n) h(er) woute(re)n datin jans sone bij hande(n) meester/
henricx vynck vi crone(n) v(idelicet) vii r(yns) viii st(uvers) h(ier) op salme(n) woute(re)n hoeren
//
It(em) den voirs(creven) colijne betaelt ierst vier ryns gulden(en) It(em) den selve(n)/
noch in s(in)[t] peters kercke ii ryns guld(enen) It(em) den selve(n) bij hande(n) des/
voirs(creven) willems datin ii r(yns) g(uldenen) xviii mite(n) dit is oic bekint Ende/
hebben de voirs(creven) p(ar)tien bekint dat achtervolgen(de) der voirs(creven) rek(ening)[en]/
tusschen hen wert ov(er)dragen dat vanden drien onclare(n) pointe(n) lodewijc/
dilige(re)n doen soude om die te clae(re)n binne(n) xiiii nachten naistcomen(de)/
En dat alsdan die geclaert de voirs(creven) lodewijc colijne gelofte doen/
soude trest te betalen(e) talsulcke(n) t(er)mijne(n) als zij dan ov(er)come(n) soude(n) die/
lod(ewijc) beg(eer)dt in vie(r) ja(r)en te betalen dair op colijn alsdan antwerde/
geve(n) soude En(de) wat t(er)mijne(n) ov(er)dragen soude wordde(n) dat dien/
niet tegenstaen(de) vorweerde zijn en(de) soude geschied(en) op condicie de/
gelofte van lod(ewijc) dat colijn hem telcke(n) t(er)mijne mette(n) pri(n)cipalen/
brieve vand(er) lijftocht hem sal moege(n) behulpe(n) op lod(ewijcke) en(de) zijne borge(n)/
en(de) hue(r) goed(en) oft metter nyeuwer obligacie(n) soe v(er)re oic lod(ewijc) e(n)nige/
goed(en) vercochte(n) eer de t(er)mijne(n) alle v(er)schene(n) wa(r)en gedragen(de) tweewerf/
alsoe vele als de reste(n) die te betale(n) stonde(n) dat dan al gevalle(n) soude zijn/
V(er)cocht hij oic goede(n) ond(er) die so(m)me gedragen(de) soude lod(ewijc) al en wa(r)en de/
t(er)mijne(n) niet v(er)schene(n) nae advenant betale(n) Wert oic de voirs(creven) lod(ewijc)/
aflivich eer de t(er)mijne(n) alle v(er)schene(n) wa(r)en dat oic al gevalle(n) soude/
zijn en(de) dat colijn hem soude moegen behulpen als voe(r) cor(am) naus(nidere)/
tants sept(embris) xiii
ContributorsMi-Je Van Gils
Moderated byMi-Je Van Gils
Last update: 2018-06-13 by The Administrator