SAL7835, Act: V°470.2-V°472.1 (1434 of 1438)
Search Act
previous | next
Act V°470.2-V°472.1  
Act
Date: 1550-01-002
LanguageNederlands

Transcription

2020-07-03 by Transkribus Software
Sijn bleve(n) en(de) gevalle(n) jouff(rouwe) magriete(n) van duffle/
in huere deylinge de goed(en) en(de) p(ar)tien hier navolgende/
Inden yersten een hof soe die gelegen is onder de/
p(ro)chie van pellenberch ter plaets(en) geheten tophem/
met zijn huysinge(n) schuere(n) stallen land(en) beempd(en)/
bogarde(n) eeussele(n) en(de) ande(re)n en toebehoerte(n) alsoe/
tselve nu gehoud(en) wordt in pechtinge van wil(lem)me/
koesmans en(de) gelijc tselve hof met zij(n) toebehoerten/
bijd(en) s(in)t ambrosio ov(er)bracht is geweest opd(en) lasten/
en(de) co(m)me(re)n hier na volgen(de) Ierst aen(den) gronthee(r) vi cap(uynen)/
en(de) eene(n) pen(ning) xi(½) mol(evaten) even(en) xix pen(ningen) b(on)[e]/
twee derde p(ar)ten van een(en) hoeve erflijc zij(n) de/
selve goede noch belast aen jonch(er) henricke van scoensem/

//
met vi pen(ningen) boone aen mijn(en) hee(re) van chantrain vie(r) halstere(n) rogs/
erflijck aende vroechmesse van pellenberch vie(r) halster rogs erfl(ijck)/
den heylige(n)geeste van pellenberch een molevat rogs erflijck/
aende kercke van lynden een mol(evat) rogs erfl(ijck) halster rogs en(de) l/
It(em) de selver es noch gevallen eene(n) beempt geheeten molemans/
beemt gelijc dien gelegen es tvoirs(creven) hof tophem r(egeno)[te] de/
kijnde(re)n van duffle te ii zijd(en) en(de) de strate aldae(r) t(er) iii[e] zijd(en)/
soe mathijs gielijs dien in hueringe houden(de) es niet begripen(de) zijn(en)/
oude de pechtinge vand(en) v(or)s(creven) hove opde lasten d(aer) uuyt/
gaen(de) te weten de helicht van twee rijders erfl(ijck) te xxviii/
st(uvers) tstuck inde betaling aen(de) kercke van pellenberch iiii st(uvers)/
aen(de) kercke van lynden xv s(tuvers) payments en(de) vijf mol(evaten) even(en)/
die selver jouffr(ouwe) magriete zijn noch bleve(n) en(de) gevalle(n) de/
p(ar)tien van bresschen nabescreve(n) gelegen ind(en) hov shoenre/
en dair omtrint iust v(½) dach(mael) bosschs geheete(n) de neer/
bollen haghe r(e)ge(no)[te] derfgename(n) van duffle in drie zijd(en)/
en de jouff(rouwe) betale(n) ter iiii[e] zijd(en) It(em) vii dach(mael) xl roeden/
bossch ombegrepen vand(er) mate(n) geheeten de xl rute(n) r(egeno)[te] de/
goede jans wijlen qui(n)tens ter eenr(e) den heyligegeeste/
van loven ter ande(re) iii pet(ers) joerdens te vs? en(de) de v(or)s(creven)/
erfgenam(en) van duffle te iiii[e] zijd(en) op twee cap(uynen) en(de) twee/
ganssen d(aer) uuytgaen(de) It(em) noch (½) boend(er) bossch o(n)begripe(n)/
vand(er) maten geheete(n) ge seventhien de voirs(creven) erfgenam(en)/
in twee zijd(en) in jan van ri(nt)meester ter iii[er] en(de) de/
strate ald(aer) ter iiii[er] zijd(en) It(em) noch (½) boend(er) bossch ombegrepe(n)/
vand(er) maten gelegen therckenstraetke(n) ter eenr(e) de/
heyligegeest met(t)[e] vroechmisse van pellenberch ter ter ii[e]/
en(de) de strate na loven gaen(de) ter iiii[e] zijd(en) It(em) noch een/
dachmail bosch geheete(n) he(re)miethen r(egeno)[te] sebastiaens peet(er)s/
ter eenr(e) h(er)jan vand(er) to(m)me(n) ter ande(re) tgrootgasthuis van/
loven(e) t(er) iii[e] en(de) derfgename(n) anthoenijs vand(er) to(m)men/
ter iiii[e] zijd(en) It(em) noch een boender bosch o(n)begrepen vand(er)/
maten geheete(n) de gansenhaghe de strate aldair in drie/
zijden en(de) de goede der erfgenamen pet(er)s van dorene ter vierde(r)
//
It noch een dach(mael) bossch te he(r)miethom aen(de) voirs(creven) gansenhaghe/
ter eenr(e) en(de) heylken van doerne ter ande(re) en(de) iii[e] zijd(e)n/
It(em) noch (½) boend(er) bossch ombegrepe(n) vand(er) juyster maten/
gelegen bove(n) dbloc gheteyn de nyve grachte r(e)genote de/
goede andries vekenstijl ter eenr(e) den heylige(n)geest mett(er)/
vroechmisse van pellenberch ter ande(re) en(de) derfgename(n) van/
duffle ter iiii[e] zijd(en) It(em) noch (½) boend(er) bossch o(n)begrepen/
vand(er) maten gelegen aen tvoirs(creven) half boend(er) boven/
de nyeugrechte ter eenr(e) iii pet(ers) joerdens ter ande(re)/
en(de) derfgename(n) wijlen ackerma(n)s te derde(r) It(em) noch/
een boend(er) bosch xvi roeden ombegrepe(n) d(er) mat(en) geleg(en)/
te homerchom tgoetshuys van peirlic te ii zijd(en) en de her/
jacops van brecht ter iiii[er] zijd(en) de v(or)s(creven) bosschen belast/
(½) d(aer) af men de pand(en) meer en weer sekerlijc aen(den)/
clerc capelle met twee capuyn(en) en(de) een gans/
I(tem) sal de selv(e) es noch gebleve(n) alsulcke(n) eygen(en) heerlijken/
chijnsen mette(n) heirlike r(e)chte(n) soe v(er)re e(n)nege zijn d(aer) uuyt/
spruyten(de) en(de) toebehoeren(de) gelijc de v(or)s(creven) kijnde(re)n ond(er) lynt(er)/
pellenberch en(de) d(aer) omtrint houden(de) zijn It(em) der/
selver jouff(rouwe) magriete(n) zijn noc te deele gevallen een(en)/
erfchijns van xx s(cellingen) art v(er)schijnen(de) in septembri op selve(n)/
goede d(er) kijnde(re)n van balen liggen(de) te putte ond(er) lynd(en)/
nu toebehoiren(de) hee(re)n janne vand(er) to(m)men ridde(r) It(em) noch twee/
huysen gelijc die staen(de) zijn inde scrijnstrate geheete(n) het vosken/
met een(en) cleyn(en) huysken dair achter aen comen(de) staen(de) inde/
augustijn strate met hue(re)n hove en ande(re)n toebehoerten opte(n)/
co(m)me(r) d(aer) uuytgaen(de) te weten aen tcloeste(r) vand(en) begaerd(en)/
twee guld(en) saluyten erflike rente(n) v(er)schijnen(de) in decembri belopen(de)/
in jairlicsche betalinge drie caerlen g(ulden) rijnsg(ulden) aen tcloester/
vand(er) witte non(n)[e] een erfrine dieme(n) betaelt met twee r(ins)g(ulden)/
xv st(uvers) curre(nt)i aen tselve cloest(er) noch ix oude gr(ote) aen tcap(it)le/
van s(in)[t] pet(er)s te loven(e) een erfchs in maii van en(en) xx s(cellingen) artois/
aen pet(er) willems in erfchijnse ii cap(uynen) ii s(tuvers) boone aen(de)/
pitancie van s(in)[te] g(er)trud(is) een(en) braspen(ning) erfl(ijck) aen(den) bruerscap van/
s(in)te pet(er)s te loven(e) een efrente van i(½) rijder d(aer) voe(r) men
//
betailt twee rijnsguld(en) twee stuv(er)s noch aende cappellane(n)/
van sinte pet(er)s en(de) gelijcke(n) gouwen rijde(r) en(de) noch een/
blancke v st(uvers) It(em) noch aen pet(ere)n hermans een erfrente/
van twee rijnsg(ulden) erfl(ijck) It(em) den selven es noch gevallen/
een(en) wijngart te loven opde borch gelegen met zijn(en) huysken/
aldaer It(em) noch vijf rijnsg(ulden) erfl(ijck) opte stat van halen/
v(er)schijnen(de) opd(en) lesten septembris It(em) noch zeven dach(mael)/
lants o(n)begrepe(n) vand(er) maten geleg(en) bijd(er) vesten van/
halen ter plaets(en) gesien de vorste nyeuwe grecht/
r(e)genote de goede he(re)n philips zelckins ter eenre en(de)/
de beghijn(en) van diest ter ande(r) zijde(n) in drie zijd(en)/
It(em) noch vijf vie(re)nd(elen) lants ombegrepen vand(er) maten oic/
bij halen gelegen t(er) plaets(en) geheete(n) de wijnkel/
tusschen de goede jans pueters ter eenr(e) en(de) shee(re)n/
strate t(er) ande(re) zijd(en) soe heylken w kempens de/
v(oir)s(creven) twee p(ar)ceele(n) in pechtinge(n) houden(de) es opte/
co(m)me(re)n uuyten v(oir)s(creven) twee p(ar)ceele(n) gaen(de) te weten(e)/
uuyten vii dach(mael) aen(den) hee(r) van s(in)[te] lambrechts viii/
pen(ningen) boone en(de) een halster even(en) en(de) een mudde rogs/
erfl(ijck) aen(de) begijne(n) van diest en(de) de v(oir)s(creven) vijf vie(re)nd(elen)/
op een halst(er) even(en) It(em) noch een dach(mael) lants o(n)begrepen/
d(er) maten geheete(n) de musschen zille gelege(n) opt yse(re)n velt/
ond(er) halen It(em) noch selve(n) drie vie(re)d(elen) lants opt selve/
velt It(em) noch op tselve yse(re)n velt een dachmael lants/
gelijc d(er) v(oir)s(creven) drie p(ar)ceelkens in hueri(n)ge(n) gehoud(en) ware(n)/
van heylken kempens v(oir)s(creven) in co(m)me(re)n van i(½) d(enier) chijs/
en(de) een half mol(evat) even(en) van(de) hee(re)n van s(in)[t] lambrechts/
en(de) noch aen(de) kercke van zelke een(en) pen(ninc) boons/
It(em) noch zeke(r) drie dach(mael) beemps ombegrepe(n) d(er) mate(n)/
geheete(n) rottemans beemt gelegen ond(er) halen t(er) plaets(en)/
geheete rottem broecke r(e)genoten de goed(en) vanden/
heyligegeest van hale(n) ter eenr(e) tcloester van rottem
//
in twee zijd(en) marie vand(er) elsmeren en die strate/
aldaer ter iiii[er] zijd(en) alsoe die in hueringe(n) gehoud(en) word(en)/
van kat(l)ijn(e) barneyen belast met iii pen(ningen) erfchijs/
noch een beemt groot vii dach(mael) ombegrepe(n) d(er) maten/
geheet(en) tielmans beemt ond(er) corttenaken tussche(n)/
de strate ald(aer) in twee zijd(en) derfgename(n) jans van ru(m)men/
ter derde(r) zijd(en) alsoe jan molemans dien in hueri(n)ge(n) houdt/
belast met iii s(tuvers) iii d(enieren) boone Ende oic d(aer) op der/
gedecliesel? moeten dragen x rynsg(ulden) erfs(ijs) uuyt xx r(insgulden)/
erflijc die jouff(rouwe) magriet van berthem met hue(re)n tiste(n)?/
gelaten heet henricke van toge tongere(n) en(de) zijn(en) erfg(enamen)/
van welcken xx r(ins)g(ulden) erfs(ijs) jonch(er) art amours dand(er) xx/
r(ins)g(ulden) erf(elijc) dragen moet En(de) noch twee r(ins)g(ulden) erfs(ijs) v(oir)schreven/
jairl(ijx) in m(er)te augusto v(oir)s(creven) quitbaer noch twee r(ins)g(ulden)/
twintich s(cellingen) erf(elijc) quijtbair als v(er)schijnen(de) in julio aen/
tcap(it)le van s(in)[te] pet(er)s noch iiii r(ins)g(ulden) lijfpen(sie) aen/
mathijse van thuydeke(n) v(er)schijnen(de) in februario aen/
m(eester) janne van zome(re)n iiii r(ins)g(ulden) erfl(ijc) v(er)schijnen(de) in nove(m)br(is)/
quitbair den pen(ninc) xviii als voi(r) noch iii r(ins)g(ulden) erf(lijc)/
aen m(eester) jeroen wel(ken) v(er)schijnen(de) in dece(m)br(is)/
en(de) quijtbair als vo(re) Ende hier bove(n) noch op de cond(ici)[en]/
op de voirweerd(en) hier na v(er)claert te weten(e) yerst oft e(n)nige/
meer lasten n[o](n) et sup(ra) ut in p(ar)t[ie] p(re)ceden(tis) h hanc/
quoq(ue) et sat(is) sed ut(eriu)s eisd(em)
Contributorskristiaan magnus
Moderated bykristiaan magnus
Last update: 2020-04-08 by kristiaan magnus