SAL8115, Act: R°155.1 (189 of 364)
Search Act
previous | next
Act R°155.1  
Act
Date: 1443-12-14

Transcription

2020-08-25 by Greet Stevens
Van amelr(ijcke) den wechte(r)/
It(em) uut dien dat amelrijc de wechte(r) die in henrix colve vroente hadde doen setten mathijse/
van kessele naturlic voe(r) de somme van xii gul(den) schilden enen gul(den) peter een mudde weysinx/
en(de) mudde rox voe(r) welke somme de selve amelrijck na d(er) stad recht des selfs henrix vroente/
mids dien dat de selve mathijs d(aer)inne niet bevo(n)den en was beleyt heeft gelijc d(er) stad register/
dat volcomelijc inhoudt en(de) begrijpt Soe eest dat de selve amelrijck den selven henricken voe(r)/
meye(r) en(de) scepenen van loeven voe(r) de vors(creven) somme beyde vanden ghelde en(de) vande(n) grane aengesproke(n)/
heeft Hopende en(de) meynende na dien dat hij den selven henr(icken) sijn clage en(de) boete gegeven en(de)/
voe(r) des vors(creven) math(ijs) cost gesproken hadde dat hij hem de vors(creven) schout na inhoudt des vors(creven)/
beleyts opleggen en(de) uutreyken sal en(de) dat alle saken alsoe geschiedt en(de) gehandelt waren/
en(de) dat deselve henr(ic) den vors(creven) mathijse also in sijne vroente gehadt heeft dat droegh hij hem/
aen goede en(de) tot sijnen eede hopen(de) de selve amelr(ijc) war de selve henr(ic) d(aer) voe(r) egheen ontschout/
een dade dat hij hem sijnen vors(creven) eysch opleggen soude ende daer af vernuegen Daer op/
de selve henr(ic) hem met sijne(n) gelev(er)den vorsprake antw(er)de seggende dat hem die aensprake/
egheen ontstade doen en soude noch den selven amelr(ijcke) scade seggende [voirts] dat war wae(r) dat/
de selve amelr(ijc) den vors(creven) math(ijse) geconsenteert hadde uutt(er) vroenten te gane en(de) dat hij/
dae(re)n bove(n) des vors(creven) mathijs have ond(er) theerscap van bout(er)shem inde banck van putte/
met rechte voe(r) de vors(creven) somme ald(aer) gevolght en(de) uutgewo(n)nen hadde dwelck de selve/
henr(ic) boet te thoene(n) hoepte wair hij dat gethoene(n) conste dat hij der vors(creven) aensp(ra)ke(n)/
ongehouden sijn soude met meer woirden die hij inden rechte dede opdoen en(de) allige(re)n/
Wair op de meye(r) maende den scepenen die wesen voe(r) een vo(n)nisse dat de vors(creven) henr(ic)/
colve ontschout doen sal op daensprake oft betalinge ten dage van rechte dair toe/
diene(n)de so hoepte de selve amelr(ijc) wair de selve henr(ic) sijn ontschout niet en/
dede gelijc tvo(n)nisse gewijst hadde dat hij sijne(n) vors(creven) eysch soude verrecht? hebben/
Also dat de voirs(creven) scepenen voirts vanden meye(r) gemaent gewijst hebben voe(r) een/
vo(n)nisse ware de vors(creven) henr(ic) colve sijn ontschout niet en dade ten opstaene/
smeyers en(de) d(er) scepene(n) dat de vors(creven) amelr(ijc) sijn vors(creven) [eysch en(de)] aensprake aen hem verreyct/
sal hebben p(rese)nt(ibus) mych(aele) abs(oloens) lomb(ar)t jacob(us) pynnock vynck dor(mae)[le] voshem/
dec(embris) xiiii
ContributorsGreet Stevens
Moderated byMi-Je Van Gils
Last update: 2015-01-08 by Inge Moris