SAL7338, Act: V°393.1-V°394.1 (478 of 519)
Search Act
previous | next
Act V°393.1-V°394.1  
Act
Date: 1444-05-20

Transcription

2020-12-30 by Roger Morias
Wij arnt vyncke ende claes van dormale scepen(en) van loven(e) doen cont/
ene(n) yegeliken dat voir ons comen zijn m(ar)griete weduwe arnts wijlen/
van colen arnt van colen hue(r) soen anthonijs van langrode met co(n)sente/
ende wille m(ar)grieten van colen zijns wijfs ende dierick van la(n)grode/
voe(r) hem en(de) zijn kinde(re)n vanden voirbedde die hij h(ier) inne geloeft [heeft] te/
v(er)vaen met consent mychiels absolons die met scepen(en) brieve(n)van loven(e)/
comen en(de) geleyt es tot allen den goeden des voirs(creven) dierijx ende wijlen/
katlijne(n) van colen zijns wijfs beke(n)nen(de) ende verliden(de) de voirscr(even) p(ar)tien/
dat zij van hue(re)n goeden ende huysen deen aen dand(er) be gelegen inde/
dorpstrate jegen s(in)[ter] vinen gasthuys d(aer) af zij stoet ende gescillen/
hadden bij middele ende onderwijse van hue(re)n vrienden in allen/
zijden gesloten ende wereenicht zijn om voirtaen tot ewegen dage(n)/
ond(er) houden te werden des hier nae volght Inden yersten dat de/
voirscr(even) m(ar)griete weduwe des voirscr(even) wijlen arnts van colen/
arnt van colen anthonijs van langrode zijn wijf noch hue(r) erf/
gename(n) egheene(n) ganc noch gebruik hebben en selen tot/
den goeden houthuysen ramen noch heymelich(eit) staen(de) op derve/
des voirs(creven) dierijx [desgelix] oic en sal de voirscr(even) dierijx dieric noch zijn/
erven egheene(n) ganc hebben noch gebruick tot den goeden [der voirs(creven) p(er)sone(n) en(de)] de(n)/
putte staen(de) acht(er) de coken(en) des voirs(creven) arnts van colen noch oic/
tot d(er) poirten opden keyberch staen(de) acht(er) de goede der voirscr(even)/
m(ar)gr(iete) anthonijs en(de) zijns wijfs mair elc vanden voirs(creven) p(ar)tien/
sal van zijne(n) goeden bij hem selven beheymt en(de) gesloten blive(n)/
sond(er) dat deen op des anders erve e(n)nich erve [recht] sal behouden/
Item de goede liggende boven tusschen tgroet huys der voirs(creven)/
m(ar)gr(iete) ende anthonijs ende coken(en) des voirs(creven) dierijx comen(de)/
over de stove [vanden selven huyse] toebehoren(de) der voirs(creven) m(ar)gr(iete) en(de) anthonisen sal dwat(er)/
van beyden huysen sijnen ned(er)val hebben(e) inden hoec aen de(n)/
muer vand(er) koeken(en) des sef selfs dierijx afleyden ende die sal/
de voirs(creven) dieric geheel eewelic houden in goeden state op zijne(n)/
last water vast also dat der voir(screven) m(ar)gr(iete) en(de) anthonise aen/
hue(r) goede dair af gheen scade noch hind(er) en gesciede en(de)/
des sal de voirs(creven) dieric tack vand(er) scoven voirscr(even) tot zijnen
//
gerieve also verre als de voirs(creven) goete behoeft te liggen(e) o(m)me d(aer) inne te mogen/
v(er)kieren ende met ene(n) oefte die te ruime(n) moegen corten en(de) tgebruick op de/
selve goete hebben doer ene vinste(r) die de voirs(creven) dierick van in zijn huys/
totte(n) goeten te moegen comen om die te ruimen en(de) te houden(e) sal doen/
maken Ende des sal de selve dierijc d(er) voirs(creven) m(a)gr(iete) en(de) anthonise bevreden/
met ene(n) mue(r) tusschen de selve goete en(de) den sulde(r) vand(er) voirs(creven) stove(n) steendicke/
tot boven ten daecke toe It(em) de voirs(creven) dieric sal op die scaelgie staende/
tusschen de coken(en) d(er) voirs(creven) m(ar)gr(iete) en(de) anthonijs en(de) dierix maken ene(n) muer/
lijnrechte van opte(n) egge vand(er) vynste(re)n vand(er) voirscr(even) stove(n) w(er)t des voirs(creven)/
dierijx opw(er)t tot opte [middelt vanden pale] pale staen(de) ond(er) den hanck in hue(re)r beyd(er) hof sond(er) doere/
oft vinste(r) d(aer) inne te setten(e) in welken muer en(de) inde goete van den daken [coken(en)] wat(er)/
des wer voirs(creven) dierijx salde selve dieric setten een trailgie van redeliken(e)/
wijdden om tredelijc cokenwat(er) en(de) oic diesgelijx dwat(er) vallen(de) opte scaelgie/
staen(de) acht(er) des selfs dierijx coken(en) alsoet nu es d(aer) doe(r) ov(er) de scaelgie d(er) voirs(creven)/
m(ar)gr(iete) anthonis en(de) doe(r) hue(r) huys sijnen loep te hebben(e) mair oft dierijcken/
geliefde op zijn erve eene(n) borreputte te setten d(aer) af sal hij dwat(er) elswair/
dart hem gelieft moten leiden sond(er) opder selver m(a)gr(iete) en(de) anthonijs erve/
te comen It(em) sal de voirs(creven) dierijck maken eene(n) steynene(n) muer inden/
hof sond(er) vinste(r) van op den voirs(creven) pael tusschen tscheiden vanden erve totten/
keyberge op zijne(n) cost ende dien mogen setten met ene(n) snede van ene(n)/
halven quariele wide(re) te(r) goeden w(er)t d(er) voirs(creven) m(ar)gr(iete) en(de) anthonijs dan/
den muer op de scaelgie wesen sal en(de) de selve mueren selen den voirs(creven) diericke(n)/
toebehoren ende die sal hij in goeden staete houden i tot enegen [ewegen] dagen Item/
en suelen de voirs(creven) [m(ar)gr(iete)] anthonijs [noch] dierijck op hue(r) voirs(creven) goede gheenrehande werck/
setten tymme(re)n noch maken dair mede zij deen den ande(re)n hue(r) liecht e(n)nichsins/
mede verstoppen oft hinde(re)n mochten It(em) de goede liggen(de) tusschen dacht(er)ste huys/
d(er) voirs(creven) m(ar)gr(iete) en(de) anthonijs en(de) coken(en) des voirs(creven) arnts van colen/
en(de) dijsgelijx den putte staen(de) acht(er) den koken(en) des voirs(creven) arnts selen/
de selve twe p(ar)tien te gelike toebehoren en(de) diene(n) ende die selen zij half/
en(de) half houden in goeden state ten wae(re) dat e(n)nich van hen scepen(en) brieve/
van loven(e)
//
hadde gemact voe(r) desen dach t(er)contrarien It(em) de voirs(creven) arnt/
sal den vrede tusschen hue(re)r beyd(er) erve mogen besluten te weten(e)/
beneden op de scaelgie t(en) halven putte also dat elc van hen/
een zijde te w(er)t hemw(er)t los behouden sal ende desgelijx/
den voirs(creven) hof lijnrecht van op ten egge vanden mue(r) des voirs(creven)/
anthonis staen(de) onder de voirs(creven) goete tot opten stijl vanden ove(n)/
huyse der voirs(creven) m(ar)gr(iete) ende anth(onijs) en(de) dat alsoe [tot] tewegen/
dagen gevriet houden en(de) dwat(er) vanden selven putte totte(n)/
regenwat(er) comen(de) vand(er) zijden der voirs(creven) m(ar)gr(iete) en(de) anthonijs/
sal zijne(n) loep hebben doe(r) den ganc en(de) thuys des voirs(creven)/
arnts Welke poenten elc vanden voirs(creven) p(ar)tien alsoe verre/
alst hem aencleeft geloft hebben [te voldoen] en(de) aen gegaen [zijn] voe(r)/
hen en(de) hue(r) erfgename(n) en(de) voldoen en(de) d(aer) af malcande(re)n/
genoch te doen
voertaen ond(er) houden en(de) voldaen te vorden/
en(de) d(aer) af malcande(re)n genoch te doen tallen tijden alst gebue(re)n sal/
sond(er) fraude en(de) airgeliste also dat elken vast en(de) seker/
zijn moege Des torconden hebben wij scepen(en) van loven(e)/
voirs(creven) onsen segele h(ier) aen doen gehangen den xx[te(n)] dach/
van meye int jaer xiiii[c] xliiii[o]
Contributorskristiaan magnus
Moderated bykristiaan magnus
Last update: 2014-11-27 by Jos Jonckheer