SAL7339, Act: R°266.1 (327 of 450)
Search Act
previous | next
Act R°266.1  
Act
Date: 1445-03-11

Transcription

2019-05-26 by Jos Jonckheer
Van henricke van daelhem/
Tvonnisse tusschen woute(re)n vander heiden poirt(er) van loven(en) in deen zijde/
ende henricke van daelhem van opvelpe in dande(re) alse van/
acht(er)stellige pachte die de voirs(creven) henr(ick) meynde te hebbe(n)/
vande(n) voirs(creven) woute(re)n voir dwelc hij des selfs wout(er)s/
have beco(m)mert hadde meynende dat hij dien sculd(ich)/
ware te betale(n) na de natuere vand(er) bancke(n) recht/
dair de(n) ond(er)pandt lage Jegen dwelc de voirs(creven) woute(r)/
dede seggen wa(n)t hij poirte(r) va(n) loeven(en) ware dat/
hij en(de) sijn have van dier aensprake(n) ongehoude(n) soude/
blive(n) en(de) hadde henr(ick) gebrec dat hij dat volchde/
op sijne ond(er)pande daer de voirs(creven) henr(ick) sijn hande/
af niet aen en hadde Was gewijst met desen worde(n)/
dat de voirs(creven) henr(ick) onghehoude(n) soude sijn vand(er)/
aenspraken voirs(creven) p(rese)ntib(us) witte ov(er)wynge vynck(enbosch) lyntre/
iunior m(ar)cii xi
ContributorsWalter Winnelinckx
Moderated byWalter Winnelinckx
Last update: 2016-11-17 by Jos Jonckheer