SAL7342, Act: R°312.2 (462 of 650)
Search Act
previous | next
Act R°312.2  
Act
Date: 1448-03-09

Transcription

2019-02-14 by Pieter Soetewey
It(em) de voirs(creven) gehuysche(n) hebbe(n) noch gelooft en(de) toegeseecht/
den voirs(creven) twe p(er)sone te hue(re)n manissen te goede(n) ende/
te vestigen in alsulke leengoede als zij opde(n) dach/
van heden besittende en(de) van reyne(re)n oliviers te leen/
houden(de) zijn om hen d(aer) mede te behulpe(n) en(de) te ontlaste(n)/
van alsulken borchtocht als dair voe(r) de selve twe/
p(er)sone geloeft hebben oft oic [voe(r) de(n) selve(n) gehuyscen] geloven sullen ende/
sulle(n) oic de selve gehuysche(n) sculdich zijn bynne(n) viii dage(n)/
naestcomen(de) den selve(n) willem(me) ende mathize [matheuse] in hue(re)n/
hande(n) te leve(re)n alsulke beleide brieve van bruessele als/
zij op hue(re) goede moege(n) hebben sprekende eisd(em)
ContributorsLieve Van Hoestenberghe
Moderated byLieve Van Hoestenberghe
Last update: 2015-08-20 by Agata Dierick