SAL7345, Act: R°197.3-R°198.1 (320 of 628)
Search Act
previous | next
Act R°197.3-R°198.1  
Act
Date: 1452-01-15

Transcription

2019-02-01 by Chris Picard
Tvo(n)nis tusschen janne van coudenberghe in deen zijde en(de) daneele/
vanden waerde drossete des lants van arscot in dande(r) alse dat de vors(creven)/
jan opdede dat in tijden voerlede(n) jacop vanden waerde des vors(creven) daneels/
natuerlix sone den selven zijne(n) vader voe(r) wet te loven(en) met/
rechte verreict hadde voe(r) de so(m)me van iiii[c] rijd(er)s voe(r) de welke/
de selve jacop hem dede leiden totten goeden des selfs zijns vad(er)s/
ende o(m)me dat hij tot zijnd(er) so(m)men soude geraken was get(er)mijneert
//
bijden raide vand(er) stat dat de selve jacop soude aenveerden alle de goede/
des selfs daneels bynnen d(er) stat en(de) vrijheit van loven(en) geleghen/
ende dat dien navolgende de voirs(creven) jacop een huys des voirs(creven)/
daneels geheten blijde met hue(re)r toebehoerte(n) hadde te coope/
gebooden o(m)me zijn voirs(creven) pe(n)ninghe daer aen te maken welc/
huys de vors(creven) jan also hij seide om zijn pe(n)ninghe gecocht en(de)/
betaelt hadde en(de) dat voert vercocht meester janne stockel/
pot o(m)me de so(m)me van xvi rijd(er)s erflic te quijten den/
pe(n)ninc met xviii d(enieren) gelike Seide vort de vors(creven) jan/
dat lodewijc roelants hadde scepen(en) brieve van loven(en) op/
tselve huys sprekende van xviii rijders erflic te quiten den/
pe(n)ninc met xx daer af de selve lod(ewijc) vand(er) afquijtinghe/
gekuelt wae(r) ter so(m)men toe van xii rijd(er)s eens en(de)/
want de vors(creven) jacop noch hij als p(ar)tie noch oic de raet/
vand(er) stat die de voirs(creven) t(er)mijne en(de) meer ande(r) voe(r)/
den vors(creven) jacoppe daer af gedaen hadde(n) and(er)s niet geweten/
en hebben dan dat de vors(creven) rente van xviii rijd(er)s gesmolte(n)/
wae(r) Soe hoepte de vors(creven) jan en(de) versochte van rechts/
wegen dat de vors(creven) daneel den voirs(creven) lod(ewicken) roelants/
ongemoeyt soude laten en(de) dat hij te vreden zijn soude/
dat de voirs(creven) lod(ewijc) den vors(creven) janne de guedinge vand(en)/
voirs(creven) xviii rijd(er)s doen soude gemerct dat in gevalle/
de voirs(creven) daneel oft de ghene die hem geliefde inde/
voirs(creven) rinte soude gegoedt wordde(n) soe soude die rente/
beter zijn dan den gront gegouden handde hadde Seyde/
vort de selve jan van coudenberghe dat nae tvercoope(n)/
der voirs(creven) blijden en(de) meer ande(r) goede des voirs(creven) daneels/
de selve daneel en(de) zijn sone vors(creven) tsame(n) gerekent hadde(n)/
en(de) dat passerende den coop vand(er) vors(creven) blijden also hij dien/
gecocht hadde in rekeni(n)ghe de vors(creven) daneel nochtan/
hem tachter bleef xii oft xiiii rijd(er)s en(de) dat geseeght/
was dat de vors(creven) jacop zijne(n) vad(er) d(aer) op quijtancie geve(n)/
soude niet myn de selve jan hadde tande(re)n tijden gep(rese)nteert/
en(de) noch dade dat hij te vreden zijn woude evenverre de
//
voirs(creven) daneel hem zijn pe(n)ninge wedergave en(de) afdade den/
last vand(er) coepmanscap die hij gedaen hadde vanden selven/
goeden tegen meester janne stockelpot Hoopen(de) ten slote/
dat de voirs(creven) daneel noch ande(r) tsijnd(er) gelieften tot der/
guedinge vand(er) vors(creven) rinte(n) van lod(ewicke) roelants ny(m)mermeer/
comen en soude maer tot hem oft den ghene(n) die(n) hem/
gelieven soude bij alsoe dat hij den selven lod(ewicke) soude/
contente(re)n van tghene des hij hem van zijne(n) afquijtinge(n)/
gebrake Op dwelc de vors(creven) daneel in zijne(n) verantweerden/
dede seggen dat hem van dier aenspraken verwonderde gemerct/
dat de selve jan niet op en dade als hij recht hadde dat de/
voirs(creven) daneel hem e(n)nige geloefte hadde gedaen en(de) hadde/
de selve jan e(n)nich gebreck van guedinghe oft warendeerscape/
daer af hadde hij jacopen zijne(n) sone in hachten en(de) dat/
daensprake des selfs jans te hemwert ydel en(de) van o(n)werde(n)/
wae(r) en(de) niet alsulck dat hij daer op behoefde tantw(er)den/
niet temyn hij seide dat niet tegenstaende d(er) aensp(ra)ke/
des selfs jans de vors(creven) lod(ewijc) den ghene(n) die hem geliefde/
de guedinghe vand(en) vors(creven) renten doen soude hem getroesten(de)/
van dien totten rechte Es gewijst met desen woerden nae/
aensprake en(de) verantweerden van beyden p(ar)tien met vo(n)nissen/
der he(re)n scepen(en) van loven(en) dat alsulken aensprake als de/
vors(creven) jan gedaen hadde totten vors(creven) daneele [hem] gheen scade noch/
den vors(creven) daneele gheen ontstade doen en soude p(rese)ntib(us) o(mn)ib(us) scab(inis)/
dempto lyemi(n)ge(n) ja(nuarii) xv
Contributorskristiaan magnus
Moderated bykristiaan magnus
Last update: 2016-03-15 by Jos Jonckheer