SAL7347, Act: R°385.1 (635 of 746)
Search Act
previous | next
Act R°385.1  
Act
Date: 1454-05-18

Transcription

2019-07-11 by Magda van Winkel
It(em) her robbeert lonijs priester p(er)soen van cortenaken [renu(n)cians (et)c(etera)] in deen zijde en(de) jan lonijs/
zijn brueder in dande(r) sijn met malcande(re)n eens wordden en(de) overcome(n) alse/
vande(n) versterffenisse in den omberuerlijken goeden hen achter hue(re)n vader bleve(n)/
en(de) den kinsgedeelte geroens wijlen lonijs hue(re)r beyder brueder he(n) aengestorve(n)/
en(de) dat den voirs(creven) gereon v(er)schene(n) was vand(er) doot des selfs wijlen jans/
lonijs huers vaders d(er) pointe en(de) (con)dicien h(ier) nae v(er)claert diese deen den/
ande(re)n voer hen hue(re)n erve(n) en(de) nacomelinge(n) gelooft hebbe(n) volcomelijc/
tacht(er)volgen en(de) eeuwelijc tond(er)houden Yerst hebben beyde de voirs(creven)/
gebruede(re) deen den ande(re)n gekint en(de) gewillecoert dat elc sal blive(n)/
staende op zijn beloop va(n) zijne(n) lantrechte in de leengoede wijlen/
huers vaders alsoe wale va(n) versterften vand(en) voirs(creven) gereon als vand(en)/
voirs(creven) wijlen hue(re)n vader Voirt heeft geconsenteert de voirs(creven) h(er) robbert/
dat de voirs(creven) jan sijn brueder opde geheel goede wijlen hue(re)n [beyder] vader/
alsoe veele in erfco(m)me(r) t(er) quitingen t(er) mynst(er) schaden v(er)coope(n) sal moege(n)/
dat zij beyde gelost w(er)den van al tgeene d(aer) zij wettelijc en(de) dueghdelijc/
voe(r) de selve(n) gereon hue(re)n brued(er) staen te laste sond(er) argelist met/
dier (con)dicien al wairt dat dien last en(de) co(m)mer hoeger gedroege/
dan alsoe vele als des voirs(creven) gereons gedeelte weert was inden/
chijs en(de) eygen(en) goeden te tijde als wijlen zijn vader sterf dat/
nochtan dat aen tkinsgedeelte des voirs(creven) robbeerts inde(n) chijs en(de)/
eygen(en) goeden niet verhaelt en sal werdden m(er) sal dien last alleen/
int gemeyn genome(n) werdden vand(en) gedeelte dat de voirs(creven) wijlen/
gereon hadde inde leengoede wijlen zijns vad(er)s te(n) tijde als hij/
sterf te hue(re)r beyder gelijken v(er)liese alsoe dat des voirs(creven) h(er) robbeerts/
kinsgedeelte inde(n) chijs en(de) eygen(en) goeden alsoe ombelast zijn sal alst/
was t(er) tijt als huerd(er) byder vader aflivich w(er)t hier inne uutgesceyde(n)/
eene(n) sack corens die te berthem zeder dat huer vader starf/
afgequijt es En(de) des sal de voirs(creven) h(er) robbeert t(er) ander zijden tot/
euwege(n) dagen te vreeden zijn en(de) bij desen app(ro)beren alsulker (con)dicie(n)/
als onder de scoutbr(ieven) van zijne(n) vader steet d(aer) uut dbeleyt gedaen/
es d(aer) mede jan vande(n) borchove(n) en(de) goert roelofs te sijne(n) goeden/
geleydt werdden en(de) oft de voirs(creven) gebruede(re) voer den voirs(creven) gereon/
meer stonden dan des voirs(creven) gereons gedeelte dreeght op te manie(r)/
voirs(creven) dan de voirs(creven) gebruede(re) in dat surplus elc staen sal te laste/
voer tgeen d(aer) hij voe(r) gesproken heeft sond(er) deen den ande(re)n d(aer) af/
te bate(n) te moege(n) come(n) cor(am) witte m(er)sberge maii xviii
Contributorskristiaan magnus
Moderated bykristiaan magnus
Last update: 2016-04-13 by kristiaan magnus