SAL7349, Act: R°368.1 (695 of 698)
Search Act
previous | next
Act R°368.1  
Act
Date: 1456-06-18

Transcription

2019-01-22 by Walter De Smet
Tvonisse vanden gedinghe dat gheweest is voe(r) meye(r) en(de) scepen(en)/
van loven(en) tusschen arnde vander heiden sone wilen jans van sterctbeke/
welke jan int jair xiiii[c] en(de) twee drie dage inde maent van october/
uut machte van scepen(en) brieve(n) va(n) loven(en) bekint bij jacopen goessens/
van sterctbeke voir meye(r) en(de) scepen(en) van loven(en) gegoedt was onder/
den ande(re)n in drie dach(mael) lants gelegen te sterctbeke opt velt/
geheten achter den eynde bijden capellenwech tusschen janne/
deckers en(de) den goede(n) der kissten vand(en) beghijne(n) van bruessel/
in deen zijde ende jannesse van woelmont proefst des/
goeshuys van corttenberge hebbende procuracie vanden/
vors(creven) godshuyse die inden rechte gelesen was in dande(re)/
Aldair de vors(creven) proefst na dat de vors(creven) arnt trecht van/
zijnd(er) zijden gevesticht hadde en(de) geloeft dat met zijnen/
bedingen voir hem en(de) alle dande(r) erfgename(n) des vors(creven) wile(n)/
jans vand(er) heyden doergaen soude de vors(creven) drie dach(mael) lants/
aensprac seggende dat die den vors(creven) godshuyse toe/
behoerde(n) en(de) sculdich wae(re)n te volghe(n) Want wouter/
wilen vander noet die des nu leden was xxix jair/
oft dair omtrent tot des vors(creven) godshuys behoef hadde/
gederft en(de) die gegeve(n) met eend(er) zijnd(er) dochter professe/
jouffr(ouwe) vanden vors(creven) godshuysse en(de) al mochten de vors(creven) jan wile(n)/
vander heyden voir en(de) arnt zijn sone nae de possessie/
van desen goeden [hebben] gehadt dat en was niet dan uut/
saken van pechtingen met meer reden(en) dair toe byde(n)/
vors(creven) aenlegge(re)n geseeght Dair op de vors(creven) arnt inden/
name als boven verantweerden(de) dede seggen dat hij hoepte dat/
hem noch zijnen scepen(en) brieven die aensprake ny(m)mermeer/
ontstade doen en soude want hij boet wail te thoenen en(de)/
tonderwijsen dat de vors(creven) wilen jan vand(er) heyden zijn vader/
voe(r) en(de) hij nae de possessie van desen goeden gehadt/
hebben over xl l jair als van hue(re)n wettigen erve Seyde/
voirt dat de vors(creven) proefst ny(m)mermeer thoene(n) en soude dat/
hij oft zijn vader den vors(creven) godshuyse e(n)nigen pacht van/
desen goeden betaelt hadde maer mocht sijn datse van sgoidsh(uysen) wege(n)/
pacht gehave(n) hadde(n) va(n) drie(n) dach(mael) lants die wile(n) wae(re)n wout(er)s/
vand(er) noet m(air) niet van dese(n) goede(n) die hij hielt dat nu die vander kiste(n)/
van bruessel nu mett(er) hant hadden Was gewijst met dese(n) woirden/
biden he(re)n scepen(en) va(n) loeve(n) t(er) manisse(n) smeyers nae aensp(ra)ke/
v(er)antw(er)de(n) ende thoenisse va(n) beyden p(ar)tije(n) datme(n) den voirs(creven) arnde/
en(de) sijn medeplichte(re)n vande(n) goeden voirg(enoemt) ind(er) gued(ingen) beg(re)pe(n) houde(n) soude/
in sijne(n) scepen(en) br(ieven) alsoe v(er)re alst noch voe(r) hen come(n) was p(rese)nt(ibus)/
o(mn)ib(us) dempto smacht junii xviii
ContributorsJan Boncquet
Moderated byJan Boncquet
Last update: 2014-11-04 by Jos Jonckheer