SAL7357, Act: V°249.3-R°250.1 (492 of 517)
Search Act
previous | next
Act V°249.3-R°250.1  
Act
Date: 1464-06-08

Transcription

2019-10-23 by Karel Embrechts
It(em) de voirs(creven) meest(er) augustijn renu(n)c(ians) (et) p(ri)us ema(ncipa)[t(us)] uts(supra) heeft/
geloift den voirs(creven) roelofve en(de) henr(icke) zijnen sone dat hij he(re)n wout(ere)n/
van nethen(en) ridde(r) nu buyten lants zijnde in dien hebben sal ende/
v(er)vangen soe zaen hij wed(er) bynne(n) lants compt dat hij t(er) maniss(en) des/
vors(creven) roelofs en(de) sijns soens behoerlic afgaen sal en(de) renu(n)cieren/
der twee en(de) een half boend(er) lants oft d(air) omtri(n)t leengoets geleg(en)
//
in loevene(re)n(er)beemde in eene(n) stucke opde(n) wech d(air)me(n) gaet te wiltsele w(er)t/
van loeven(en) tusscen de strate gaen(de) van loven(en) te wiltsele w(er)t op de dijle/
ald(air) ter eend(er) sijden de beemde d(er) tafele(n) sheilichs gheest va(n) loven(en) ter/
ande(re) de goede b(er)telmeeus wile(n) madee t(er) derd(er) en(de) de goede meester/
wout(er)s en(de) jans van nethen(en) gebruede(re)n des vors(creven) meest(er) augustijns d(air)/
neve(n) geleg(en) t(er) vierd(er) zijden In welke goede de voirs(creven) henr(ic) roelofs/
bijde(n) vors(creven) meest(er) augustijne meest(er) gorde godev(ar)ts prieste(r) ja(n)ne van/
laethe(m) ende clause scribaen voir den leenhee(r) en(de) sijn leenma(n)nen d(air)/
af de selve goede gehoude(n) werdde(n) behoirlic gegoidt en(de) gevesticht is/
Ende oft de vors(creven) h(er) wout(er) aflivich wordde dat de vors(creven) meester/
augustijn alsdan v(er)vangen sal jouffr(ouwe) vriendelijne(n) sijnd(er) nichte(n) weduwe/
ottens wilen van cuyc dat zij oft hue(r) oer oic des(en) goeden afgaen/
zullen en(de) behoirlic renu(n)cie(re)n ende om meerd(er) vestich(eit) den vors(creven) roelofve/
en(de) sijne(n) sone van allet des vors(creven) steet te doene Soe heeft de voirs(creven) meest(er)/
augustijn bij orlove tshe(re)n vanden gronde in tijtle van wettighen/
onderpande v(er)obligeert ende tonderpande gesedt zijn hof ende/
goede met hue(re)n toebehoirte(n) gelegen en(de) geheeten ten huffle/
gelic hem die in sijnd(er) deilinge(n) tegen zijn brued(er)s en(de) sust(er) gevalle(n)/
zijn opden xxvi[te(n)] dach van merte lestled(en) cor(am) roelants zande/
junii viii
Contributorskristiaan magnus
Moderated byMi-Je Van Gils
Last update: 2016-05-24 by Xavier Delacourt