SAL7373, Act: V°136.2-V°137.1 (316 of 786)
Search Act
previous | next
Act V°136.2-V°137.1  
Act
Date: 1479-12-02

Transcription

2020-03-05 by Greet Foblets
Vanden gedinge dat geweest heeft inde banc voir meye(r)/
ende scepen(en) van loeven(e) tusschen goessen vand(en) dale/
aenlegg(er) ter eenre en(de) gielijse vander biest verweerde(r) ter/
ande(r) zijde(n) Aldair de voirs(creven) goessen opdede Ierst/
hoe voir sint jansmisse lestleden seke(re) vorweerde(n) tussche(n)/
hen wae(re)n geschiet en(de) gesloten vand(en) moelen des voirs(creven)/
goessens gelege(n) bij vlierbeke die welcke de voirs(creven) goessen/
den voirs(creven) giel(ijse) uutgaf ende gielijs van goessen(e) nam van
//
sint jans(mis)s[e] lestleden ende doen naestcomen(de) te houde(n) eene(n)/
t(er)mijn van sesse jae(re)n lang deen nae dand(er) vervolgen(de) Elcx/
jaers om ix mudd(en) cor(ens) tallen vierdel jaers te betale(n) Ten/
ande(re)n male dat vorweerde was dat de voirs(creven) giel(ijs) ter stont/
die molen aenveerden en(de) hebben soude en(de) vand(en) tide dat/
die vorweerde geschiede tot den voirs(creven) s(in)[t] jans(mis)s[e] toe geve(n)/
iiii gul(den) noch vand(en) archsten noch vand(en) besten en(de) dat/
hij die iiii gul(den) voir dien s(in)[t] jans(mis)s[e] bekee(re)n soude aen/
decken ende plecken aen de moelen dair zijs meest/
behoefde Ten derden male dat gielijs voirt de selve/
moelen den voirs(creven) t(er)mijn due(re)nde houden van alle(n) rue(re)nden/
wercken en(de) vanden moelensteene op sijne(n) cost en(de) last/
Ten vierden male dat gielijs de selve moelen houden/
soude van alle staen(de) wercke mair wes hij d(air)aen leyde/
dat hij dat den voirs(creven) goessen afcortten soude Ten v[ten]/
male dat de voirs(creven) p(ar)tie(n) soe verre het hen geliefde de /
voirs(creven) molen souden doen schatten bij gesworen(en) molensleg(er)s/
en(de) wes de molen ten ynde vand(en) termijne beter worde/
bevonden soude goessen gielijse oplegge(n) en(de) darg(er)heyt/
soude giel(ijs) goessen oplegge(n) Ten vi[ten] male dat p(ar)tie(n)/
dien naevolgen(de) malcande(re)n vestich(eit) doen soude(n) voir scepen(en)/
van loeven(e) dese pointe(n) soe verre die in feyte sijn gelegen/
en(de) bij gielijse ontkint werde(n) p(rese)nteerde de voirs(creven) goessen/
te thoene(n) hopen(de) waer hij dat conste gedoen dat de /
voirs(creven) gielijs gehouden soude zijn tachtervolgen en(de)/
hem te voldoen(e) de selve vorweerd(en) he(m) des getroesten(de) totte(n) rechte/
Dair teg(en) de voirs(creven) gielijs hem verantwerden(de) dede seggen/
al mocht die hueringe bij hem geschiet sijn vand(en) molen/
om ix mudd(en) corens tsjaers den voirs(creven) t(er)mijn van sesse/
jae(re)n due(re)nde Soe was nochtan vorweerde dat goessen/
ter stont die moelen op sijne(n) cost soude doen repare(re)n ende/
maken wel en(de) loflijc nae moelenslag(er)s seggen(e) Ende/
dat gedaen sijnde dat hem dan de voirs(creven) gielijs leenen/
soude iiii guld(en) eens en(de) die verleggen in afslage vand(en)/
voirs(creven) pachte en(de) was voirt vorweerde soe verre e(n)nige/
rep(ar)acie jaerlicx aen den voirs(creven) moelen behoefde dat die de/
voirs(creven) gielijs mette(n) voirs(creven) pachte soude [moegen] doen doen en(de) den/
selve(n) pacht d(air) voe(r) te hemweert moegen houden Dat
//
voirt vorweerde was dat gielijs inde(n) moelen woene(n) soude/
twee maende(n) voir s(in)[t] jans(mis)s[e] en(de) tot s(in)[t] jans(mis)s[e] toe sond(er) yet/
van dien ii maende(n) te geve(n) en(de) dat giel(ijs) inde mole(n) bringe(n)/
soude eene(n) steen geheete(n) i loepe(r) en(de) wes dien ten afsceyden/
van molenslag(er)s getaxeert oft geschat soude wordden weert/
sijnde dat he(m) dat goessen oplegg(en) soude oft aen den pacht cortte(n)/
Dese pointe(n) soe verre die in feyte zijn geleg(en) en(de) bij goessen(e) wordden/
ontkint p(rese)nteerde gielijs te thoene(n) hopen(de) waer gij dat conste/
gedoen dat hij der aensprake(n) ongehouden soude sijn D(air)teg(en) goessen/
replice(re)nde dede segge(n) al waert soe dat gielijs zijn vermeten/
voirs(creven) alle gethoene(n) conste des hij hoopt neen dat hem dat nochtan/
aen sijne gelufte gheen onstade doen en soude En(de) ald(air) beyde p(ar)tien/
tot hue(re)n thoene gewijst zijnde thoende ierst de voirs(creven) goessen genoech/
de hueringe geschiet te zijne soe dat voe(r) inden yerste(n) male genoech steet/
geruert sond(er) alleene vand(en) t(er)mijne va(n) betaling(en) alle vierdel jaers/
d(air)af en wiste(n) de getuyge(n) niet op ii[te] mael thoende hij datter vier/
guld(en) genoemt wae(re)n mair oft se vand(en) archste(n) oft vand(en) beste(n) sijn/
soude(n) d(air) en wisten de getuge(n) niet af dinhout vand(en) derden male thoende/
hij soet steet en(de) vand(en) vi[ten] en volqua(m) hij niet En(de) de voirs(creven) giel(ijs)/
thoende op sijn sijde sijn voirs(creven) vermete(n) pointe(n) behalve(n) dat de getuyge(n)/
niet en wisten ten naeste(n) oft den tijt vand(en) huering(en) begonste twee/
maend(en) voir s(in)[t] jans(mis)s[e] Nae welcken thoen allegacie battacie/
reproche en(de) salvacie de scep(enen) ind(er) saken gemaent gewijst hebben/
voir een vo(n)nisse dat de voirs(creven) verweerde(r) sculdich sal zijn/
de voirs(creven) molen taenveerd(en) naevolgen(de) den voirs(creven) vorweerden/
en(de) heeft hij aen den voirs(creven) goessen(e) e(n)nich gebreck van/
rep(ar)acie(n) dat hij dat volge met rechte cor(am) scab(inis) in sca(m)p(n)[o]/
decembr(is) s(e)c(un)da
ContributorsGreet Stevens
Moderated byGreet Stevens
Last update: 2016-11-29 by Jos Jonckheer