SAL7373, Act: V°90.2-V°91.1 (227 of 786)
Search Act
previous | next
Act V°90.2-V°91.1  
Act
Date: 1479-10-19

Transcription

2019-05-21 by Greet Foblets
Voir meye(r) ende scepen(en) inde banck is comen roelof lombaert/
ende jan van ost als p(ro)cur(eur)s ende gemechtichde vand(en) godsh(uyse)/
van s(in)[t] barbelen dale binne(n) thiene(n) op deen zijde als geleg(en)/
op deen zijde en(de) abeert de mont oft zijn procur(eur) inden name/
van hem op dande(re) Ald(air) de voirs(creven) p(ro)cur(eur)s ind(en) name vand(en) voirs(creven)/
godsh(uyse) aengesproke(n) hebben den voirs(creven) abeerde seggen(de) hoe dat/
in voirleden(en) tiden een geheete(n) everar carpeal als geleyt totte(n)/
goede(n) abeerts de mont overgegoet heeft seke(re) p(ar)cheelen/
van erfgronde(n) geleg(en) omtrint linshain willem(me) hugen/
die voirgange(r) was vand(en) selve(n) godsh(uyse) en(de) den selven d(air) inne/
gegoet uut crachte vand(en) beleyde voirs(creven) van welcke(n) goeden/
abeert de mont sone wilen abeerts gelooft heeft warantscap/
en(de) genoechdoen gelijc de voirs(creven) p(ro)cur(eur)s van sgodshuys wege(n)/
dit genoech lieten bliken metten scepen(en) brieve(n) van loeven(en)/
die zij aldaer exhibeerden inden rechte gaven voirts te/
kinne(n) dat de voirs(creven) willem huge(n) die in dese goede/
en(de) p(ar)cheele(n) gegoet was gelijc den p(ri)ncipalen brief ald(air)/
gelesen dat uutwees den godshuyse voirs(creven) sijn recht en(de)/
actie van warantscap ende genoechdoen voir scepen(en) van/
loeven(en) getransporteert hadde gelijc dat genoech oic bleeck
//
uut eene(n) a(n)nexe aen de selve brieve hangende en(de) want zij binne(n)/
seke(re)n corte(n) tiden voirleden bevonden hadden dat mits seke(re)n gedinge(n)/
die geschiet sijn alhier inde banc tussche(n) joha(n)nen de mont op deen/
zijde en(de) abeerde hue(re)n brued(er) op dande(re) mits seke(re)n huwelike(n) vorwerd(en)/
d(air) mede zij haer beholpen hadde hem met rechte afgewesen souden sijn/
vand(en) goeden voirs(creven) mits den gedinge voirs(creven) xxiiii groot(e) roede(n) die/
zij inde banc met hue(re)n reeng(enoten) ald(air) dede lesen ende den selven/
oft hue(re)n laten met executorie(n) bevolen is geweest uut/
crachte vand(en) vo(n)nisse voirs(creven) tusschen den voirs(creven) abeerde ende/
sijnd(er) suster gegeve(n) dat zij die soude(n) late(n) volge(n) en(de) hantplichte(n)/
der voirs(creven) joha(n)nen Dwelc alsoe verre p(ar)tie dat ontkinde en(de) in/
feyte was geleg(en) zij boden te thoene(n) mett(en) vo(n)nisse en(de) executorie/
aen den meye(r) van linshain van des(er) stad wege(n) gesonden mette(n)/
minsten dat mochte den rechte genoech sijn hoopte(n) en(de) meynde(n)/
mits den bescheyde voirs(creven) dair zij hen toe gedroege(n) en(de) want/
abeert hen gelooft hadde warantscap en(de) genoechdoen dat den/
selve(n) acht(er)volgen(de) hue(re)n beleyde volge(n) souden alsulcken goed(en)/
als zij hen hadden doen leve(re)n den voirs(creven) abeerde toebehoe(re)nde geleg(en)/
te linshain voirs(creven) om hue(r) verlies dair aen te verhalen en(de) dat/
dat sculdich was te geschieden nae des(er) stad recht Dair/
tege(n) de voirs(creven) abeert oft zijn p(ro)cur(eur) dede segge(n) dat hij meynde en(de)/
hoopte dat hem alsulcken aensprake als tgodsh(uys) voirs(creven) oft/
huer p(ro)cur(eur) gedaen hadde niet letten en soude mair dair mede/
te vroech op wae(re)n mits seke(re)n reden(en) bij he(m) gealligeert te weten(e)/
want alsulcke(n) vo(n)nisse als tussche(n) abeert ende sijnd(er) suster/
gegae(n) was d(air) mede zij dese xxiiii roeden voirs(creven) verlo(r)en hadd(en)/
niet diffinitijf en was mair [alleene] alsoe verre alst noch voir scep(enen)/
come(n) was gelijc dat bleec uuten vo(n)nisse tusschen de voirs(creven)/
p(ar)tie(n) gewesen Oic soe en hadden die van s(in)[t] barbele(n)dale oft/
hue(r) laten den voirs(creven) abeerde niet laten weten dat hen bevole(n)/
was met rechte hue(r) handen van desen xxiii roeden te/
lichte(n) dwelc zij nae recht wae(re)n sculdich te doen(e) Alsoe/
hoopte en(de) meynde hij mits den reden(en) voirs(creven) dat die van/
s(in)[t] barbele(n)dale oft hue(r) p(ro)cur(eur)s noch ter tijt verdoelt wae(re)n/
he(n) des gedragen(de) totten rechte dair tege(n) de p(ro)cur(eur)s van/
s(in)[t] barbele(n)dale replice(re)nde deden segge(n) dat alsulcke(n)/
verantwerd(en) hen gheen onstade doen en souden gemerct/
dat abeert hem noch niet gepijnt en hadde de voirs(creven)/
verloren(en) goed(en) weder te crigen(e) van sijnd(er) suster met rechte
//
oft anderssins Oick soe en waert gheen noot hem e(n)nige/
conde te doen(e) gemerct dat hij selve de goed(en) in (con)tradictorio/
iudicio tegen sijnder suster verlore(n) hadd(e) Ende p(ar)tie(n) aldus/
int lange gehoirt sijnde mits div(er)sen reden(en) hebben de /
hee(re)n scepen(en) ter manissen smeyers gewesen voir een vo(n)nisse/
waer abeert de mont ten opstaen(e) vand(en) scepen(en) niet/
naerde(r) en antwert dat de geleydd(en) hue(r) gebreck sullen/
moege(n) vorde(re)n opte geleverd(en) goed(en) In sca(m)p(n)[o] octobr(is) xix
ContributorsGreet Stevens
Moderated byGreet Stevens
Last update: 2016-11-15 by Jos Jonckheer