SAL7375, Act: V°123.3-R°124.1 (280 of 1101)
Search Act
previous | next
Act V°123.3-R°124.1  
Act
Date: 1481-10-22

Transcription

2020-03-15 by Dieter Taillieu
Vander hachten die katlijne van beerhem weduwe anthonijs wilen/
beliaen hadden doen doen aen den p(er)soen jans vand(en) steenwege sone wilen/
claes geheeten coel vand(en) steenwege voir tvoldoen van eene(n) scepen(en)/
brieve van loeven(e) van lxiii r(inssche) g(uldenen) te lx pl(a)c(ken) tstuck die de voirs(creven) jan/
vanden steenweghe huer en(de) marien vanden vordeele huer(er) moeder/
geloofde voir scepen(en) van loeven(e) opden xxvi[te(n)] dach van april int
//
jair van lxxvii gre geregistereert staen(de) onder ons libro lxxvi sijn/
de voirs(creven) katlijne ter eender en(de) de voirs(creven) vand(en) steenwege als geva(n)gen/
man ter ande(re) comen in rechte inde banck voir meye(r) en(de) scepen(en) van/
loeven(e) aldair de selve katlijne dede lesen hue(re)n voirs(creven) scepen(en) brief en(de)/
voirts een p(ro)cu(r)acie en(de) mechticheyt huer gemaect bijder voirs(creven) huer(er)/
moeder sustine(re)nde dat de voirs(creven) jan in hachten bliven soude tot dat/
hij hue(r) dairaf hadde voldaen oft bewijssenisse gedaen van dien voldaen/
te hebben(e) huer des getroesten(de) totten rechte dair tegen de voirs(creven) jan/
hem verantweerden(de) dede seggen datmen bevi(n)den soude bijden date der/
voirs(creven) p(ro)cu(r)acien dat de voirs(creven) katlijne ten tijde der selver was huers/
selfs wijf weduwe des voirs(creven) anthonijs mair nu als de voirs(creven) gelofte/
bij hue(r) was gevo(n)nist en hadde zij des gheen macht want zij hadde/
eene(n) wettigen man die hue(r) mo(m)boir was alsoe dat zij sonder hem/
gheen macht en hadde gehadt die gelofte te vo(n)nisse(n) en(de) ter execucien/
te stellen en(de) alsoe was de hachte dair uut gevolcht tonrechte geschiet/
wair bij hij co(n)cludeerde costeloes ontslagen te wordden(e) te voirde(r) oick wa(n)t/
zij tande(re)n tijden d(air)af hij seke(re) vo(n)nissen exhibeerde vand(er) daet xiiii[c] lxxviii/
aug(usti) viii geseecht hadde vand(en) gebreken der pechtingen dair de voirs(creven)/
schult vand(er) voirg(enoemde) geloften uut spruyten(de) compt gheen ande(re) brieve te/
hebben(e) dan de brieve der pechtingen en(de) hadden gep(rese)nteert zij en(de) hue(r)/
moeder d(air)af genoech te doen(e) dat zij gheen ande(re) brieve en hadden noch/
en wisten dan de brieve vand(er) pechtingen op dwelck de voirs(creven)/
katlijne alt(ri)ce(re)nde dede hue(re)n man nu dair voir oogen zijnde app(ro)be(re)n/
tvoirs(creven) vo(n)nissen bij huer geschiet en(de) de hachte die zij gelijc voe(r) hadden/
doen doen en(de) geloven dat de voirs(creven) vand(en) steenwege met eene(n) gedinge/
soude gestaen en(de) tachtervolgen des tvo(n)nisse tusschen zijn wijf/
en(de) ja(n)ne vand(en) steenwege gewijst soude wordden hopen(de) dat dat/
genoech wa(r)e om den selven vand(en) steenwege in handen hachten te/
bliven oft te voldoen(e) es gewijst bij scepen(en) van loeven(e) ter manissen/
smeyers dat de voirs(creven) katlijne metter voirs(creven) hachten v(er)doolt/
es en(de) gelieft huer die sake te vervolgen dat mach/
zij doen met rechte in sca(m)pno octobr(is) xxii
ContributorsLieve Van Hoestenberghe , Jos Jonckheer
Moderated byLieve Van Hoestenberghe
Last update: 2017-01-31 by Xavier Delacourt