SAL7375, Act: V°98.3-R°99.1 (222 of 1101)
Search Act
previous | next
Act V°98.3-R°99.1  
Act
Date: 1481-10-02

Transcription

2019-11-20 by Dieter Taillieu
Nae dien dat jan blanckart inde banck voir meye(r) en(de) scepen(en)/
van loeven(e) zijn aensprake gedaen heeft op ja(n)ne vand(er) wolfshage(n)/
al(ia)s pasteybecke(r) van diversen ongebruyken die hij hem soe/
hij seyde de selve vand(er) wolfshagen hadde gedaen in diversen/
manie(re)n aen zijn erve behoe(re)nde totter fonteynen naest den goeden/
desselfs jans vand(er) wolfshagen gelegen versueken(de) tsijnder co(n)clusien
//
die ongebruyke afgedaen te hebben oft dat meye(r) en(de) scepen(en) quame(n)/
opten gront om die ongebruyken te visite(re)n en(de) d(air)af aldair te/
dingen(e) alsoe behoiren sal en(de) de selve vand(er) wolfshaghen/
aengehoirt hebben(de) de selve aensprake geseecht heeft dat/
hij niet en hadde geweten wes hem de voirs(creven) jan blanckart/
soude eysschen en(de) want hij vand(en) coope van zijne(n) huyse en(de)/
erve voirs(creven) hadde seke(re) relevante te weten(e) die van bethleem/
soe begheerde hij eenen seke(re)n gelegen(en) dach om die dair bij te/
roepen en(de) de sake alsdan hem te hulpen verantweerden welke(n)/
dach bij hem genomen op van in donderdaige naistcomen(de) over/
acht daghen de voirs(creven) jan blanckart hem co(n)senteerde p(rese)ntib(us)/
scab(inis) in sca(m)pno octobr(is) s(e)c(un)da
ContributorsLieve Van Hoestenberghe
Moderated byLieve Van Hoestenberghe
Last update: 2017-01-25 by Xavier Delacourt