SAL7376, Act: V°20.3-R°21.1 (39 of 753)
Search Act
previous | next
Act V°20.3-R°21.1  
Act
Date: 1482-07-05

Transcription

2019-03-18 by  Marie-Bernadette Desmedt
Opde questie vand(en) stucke lakens en(de) ande(re)n haeflijken/
goeden die de stedehoude(r) smeyers va(n) zichen(en) tot houdert te/
weten(e) gielijs de ketelbuete(re) ten huyse henr(icx) vand(en) veken(en) gehaelt
//
hadde meynen(de) die geco(n)fisqueert te zijne en(de) den hee(re) toe /
te behoiren zijn de voirs(creven) henr(ic) vanden veken(e) die dairo(m)me/
alhier inder stadt hadde doen pramen den selve(n) meye(r) van/
zichen(en) ter eender en(de) de selve meye(r) ter ande(r) zijden comen voir/
den raide vand(er) stadt aldair de selve henr(ic) opdede hoe dat/
hij open vynden(de) zijn dueren en(de) kisten meynde dat hem/
zijne(n) voirs(creven) huysraet gestolen hadde geweest en(de) ontwelt/
uut zijne(n) huyse en(de) dat alsoe de voirs(creven) stedehoude(r) hadde/
gesustineert alsoe de meye(r) alnoch sustineerde dat die den hee(re)/
als geco(n)fisqueert toebehoe(re)n vand(en) welken hij hielt de (contra)rie/
versueken(de) dat de meye(r) bedwongen worde he(m) restitucie doe(n) doen/
vand(er) selver zijnder haven he(m) bij zijne(n) voirs(creven) stedehoude(r) uut zijnen/
huys en(de) platen o(n)tweldicht sustine(re)nde dat dat alsoe behoirde dair/
tege(n) de selve meye(r) tenderen(de) ter declinatorien opdede dat de selve goede/
als gestole(n) hem [den hee(re)] toebehoirden en(de) boot te bewijsen dat de selve henr(ic) en(de)/
zijn brueder geboden soude(n) hebben te(n) heylige(n) te swee(re)n dat besund(er)t tvoir(screven)/
stuck lakens huer(er) suster toebehoirde seggen(de) oic dat de selve henri(c)/
die goede besundert tselve laken zijn niet en soude co(n)nen gemaken/
soe sustineerde hij dat die sake sculdich wae(re) ter ky(n)nissen te come(n)/
ende v(er)sonden te wordden(e) ter banc recht dair de ghene woon(en) d(aer)mede/
hij dat zijn mocht maken den voirs(creven) henr(ic) de co(n)trarie sustine(re)nde/
wa(n)t hij den meye(r) alh(ier) vonden hadde in een stat va(n) rechte en(de) zijn/
weerdy(n)ne coene wae(re) thuer(er) eedt dat dat laken hue(re) wae(re) zij dat /
gecocht hadde en(de) betaelt daer(af) huer man niet en hadde geweten/
mair hij henr(ic) p(rese)nteerde zijne(n) eedt hoe wel hij niet en wist dat/
zijn was dat dat laken by(n)nen zijne(n) huys hadde geweest jair/
en(de) dach oic en wae(re) hij niet sculdich met getuygen goede zijn/
te maken die by(n)nen zijne(n) platen wae(re)n soe dese wae(re)n ten tijde/
alse de voirs(creven) stedehoude(r) die tsijne(n) huyse haelde Es den meye(r)/
app(ar)t geseecht vand(er) stadt weegen dat hij sculdich sal zijn alh(ier)/
tantweerden en(de) dae(re)ntynden recht En(de) alsoe hebben p(ar)tien h(ier)op/
dach genome(n) te co(m)pare(re)n voir den raide vand(er) stadt op va(n) heden/
in viii dage(n) naestcomen(de) te mistijde in (con)s(ili)[o] opidi julii v[ta]
ContributorsJos Jonckheer
Moderated byJos Jonckheer
Last update: 2016-11-09 by Xavier Delacourt