SAL7387, Act: V°78.2-V°80.1 (138 of 880)
Search Act
previous | next
Act V°78.2-V°80.1  
Act
Date: 1493-08-30

Transcription

2019-01-04 by kristiaan magnus
Vander questie(n) gepoirt voe(r) den raide vander stadt/
tussche(n) henr(icke) vasont den jongen t(er) eenre ende gerarde/
sijne(n) brued(er) t(er) ande(re) om der pe(n)di(n)gen en(de) bescrivens/
wille die deselve henricus zoe voe(r) zeke(r) erfrinten/
van xii croenen die hij hadde op desselfs gerardts/
zijns brued(er)s huys metten toebehoirte(n) geheeten de/
craye zoe oic voe(r) ande(r) actie [van twee rijd(er)s erff(elijc) he(m) get(ra)nsporteert wesen(de) met rechte] tot desselfs gerardts/
/ zijns brued(er)s goede nae des(er) stadt recht geleydt/
zijnde om van beyden voldaen te wordden ende vand(en)/
actien van beleyde bevesticht vanden welken de/
selve gerardus ende met hem joh(ann)es vasont hue(re)r/
beyd(er) brued(er) zijn executie hadd(en) doen verhouden bij middele/
vand(en) borg(er)meest(er) tot dat p(ar)tien d(aer)op gehoirt soud(en) zijn/
Aldair de voirs(creven) henricus voir all versochte mits dat/
hij den voirs(creven) joh(ann)ese zijne(n) brued(er) in desen hielt voir/
p(ar)tie tege(n) hem en(de) met den voirs(creven) gerarde gem(er)ct/
den vervolge van stillestaene voirs(creven) oic bij meerd(er) reden(en)/
want hij tege(n) hem de gescriften en(de) infor(ma)tien vand(en)/
voirs(creven) gerarde selve gescreve(n) ende gemaict hadde des/
hij hem gedroech totten selve(n) in zijne(n) handen als bij/
hem afgepant wesen(de) D(aer) de selve joh(ann)es hem/
v(er)trecken soude alsmen ind(er) saken tusschen hen opinie/
geven en(de) t(er)mi(n)atien scerpe(n) soude D(aer) tegen deselve/
joh(ann)es noch oic de voirs(creven) gerardt luttel oft niet en/
excipieerd(en) mair genoech (con)senteerd(en) ende bekinden/
Ende aldus int principael comen(de) gaff deselve/
henricus te kenne(n) hoe dat hij voir zijn xii croene(n)/
erffelijc gevalle(n) te kersmesse lestleden ind(en) voirs(creven)/
huyse vand(er) craeyen uuytpendi(n)ge nae recht/
gedaen hadde ende wel bij goede reden(en) hadde/
moegen doen naede groote swarich(eit) ende v(er)driett/
dat hem deselve gerardt zijn brued(er) hadde gedae(n)/
inde weygeri(n)ge ende vertreck vand(er) betalingen/
vand(en) voirleden(en) jae(re)n die hem noch resteerd(en) vand(en)/
twee jae(re)n d(aer) te voe(re)n d(aer) af zij tegen malcande(re)n/
alnoch in rechte alh(ier) ombeslicht hingen uuyt/
welken hem groot verdriet comen was scade/
ende acht(er)deel want hij d(aer) bij bijst(er) was ghe/
worden sijn creditue(re)n niet en hadde co(n)nen betalen/
alsoe dat bij dien sijn gereede goede ende ande(r)/
/ erff(elijcke) goede wae(re)n vercocht dwelc hij wel soude/
verhuedt hebben hadde hem moegen betalinge/
gebue(re)n Ten ande(re)n male hadde hij geleydt zijnde/
als voe(r) totten goeden vand(en) selve(n) gerarde en(de) oic van/
joh(ann)ese sijne(n) brued(er)s voe(r) de voirs(creven) twee rijders/
erff(elijc) de goede desselfs gerardts beyde have en(de)/
erve hem doen leve(re)n nae des(er) stadt recht ende/
die doen bescriven en(de) inve(n)tarie(re)n alsoe hij hoepte/
wel te [hebbe(n)] moegen doen en(de) alsoe v(er)re alse hem vand(en)/
lesten gevallen(en) xii croene(n) erff(elijc) voirs(creven) oic vand(en)/
acht(er)stellen vder twee rijd(er)s erff(elijc) voirs(creven) voldaen/
en(de) vernuecht ende de twee rijd(er)s v(er)onderpant soe/
dat naed(er) stadt recht behoirt hij wae(re) te vred(en)/
te sup(er)cede(re)n mett(er) voirs(creven) excutie(n) ende in dien/
dat hem dat niet en gebuerde in een ende in/
all zoe versocht hij en(de) sustineerde wel te moege(n)/
voirtvae(re)n met sijnd(er) bego(n)nend(er) executie(n) he(m) des/
gedragen(de) totten rechte D(aer)tegen de voirs(creven) gerard(us)/
antwerden(de) alligeerde eensdeels de grote onredelijch(eit)/
en(de) tverlies van zijnd(er) deylingen en(de) principaelijck/
dat hem thuys vande(n) craeyen stont op vijftich/
rinsgulden(en) erff(elijc) Dwelc oft d(aer)op niet gelet en wordde/
zee(r) onredelijc zijn soude want hij voir sijns wijfs/
deel niet en hebben mair meer toegeven soude Seyde/
oic dat vand(en) xii croene(n) voirs(creven) d(aer) voe(r) henricus/
gepant hadde stonden alnoch ombeslicht in rechte/
voe(r) den raide alh(ier) Gaff oic te kenne(n) hoe dat/
hij gheen kynnisse en hadde gehadt vand(en) afleggen(en)/
te moete(n) doen der vier croene(n) erff(elijc) vand(en) voirs(creven)/
xii ende die te hebben moeten veronderpanden tot dat die afgeleecht/
[w(er)den] hoe wel dat inde br(ieven) vand(er) deylinge(n) mocht zijn/
geruert Oic seyde hij dat met allen ombehoirlijc en(de)/
ongesundert was dafpendi(n)ge gesciet van zijne(n)/
acten en(de) gesc(ri)ften die hem de selve henricus/
/ hadde doen afpanden want d(aer)aene gheene voldoe/
ni(n)ge van sculden en was te verhalen met meer/
worden bij hem gealleg(er)t D(aer) teghen henric(us) pri(n)ci/
palijc opde afgepande sc(ri)ftue(re)n genoech bekinde/
die gepandt te hebben niet om d(aer)aen sijn scult te/
verhalen mair alleene te doce(re)n d(aer) mede de p(ar)tijscap/
die joh(ann)es sijn brued(er) die die selve gemaict en(de) gescr(iven)/
hadde des hij hem gedroech totten selve(n) gescrifte(n) en(de)/
den genen die zijn hant kinden oft hijt ontkynne(n)/
woude des neen hier inen tegen hem en(de) mette(n)/
voirs(creven) gerarde dragende was Ende aengaen(de) der/
onredelijch(eit) van(er) deylingen d(aer)aff hadde gerardus/
als mo(m)boir van zijne(n) wive doutste zust(er) wesen(de)/
sijne(n) voirkuese gehadt ende gecosen des hem/
te synne stont ende oft gerardus oft yema(n)t and(er)s/
dactie van zijne(n) beleyde en(de) executien vand(en) selve(n)/
wed(er)legge(n) woude met rechte dat soude behoe(re)n/
te gescien inde banck voir meye(r) ende scepen(en)/
van loeven(en) Seyde oic deselve henricus dat van/
desen xii croene(n) xii croenen te kers(mis)s[e] lestleden gevalle(n)/
egheen questien en was mair vanden ande(re)n twee/
voirleden(en) jae(re)n want m(er)ckelijck blijcken soude/
dat die questie begonst hadde en(de) ingesteken was/
voir kers(mis)s[e] lestleden eer de selve rinte viel alsoe/
dat d(aer)af gheen questie en hadde co(n)nen gesijn en(de)/
vertoech gerardt hem sijn betalinge vand(en) selven/
twee voirleden(en) jae(re)n mits dat de t(er)mijnen van dien/
verstreken en(de) ov(er)jarich wae(re)n wordden en(de) ombetaelt/
bleven opde schoone woirde(n) en(de) gelueften die hem/
gerardt d(aer)aff gedaen hadde D(aer)om dat hij van/
dien en(de) vanden selve(n) gelueften tegen hem alh(ier)/
die onbeslicht oic in rechte stont ende bleeck/
clairlijc bij zeke(re)n cedullen gesubsigneert scrybaen/
van acht rinsgulden(en) xii(½) st(uvers) xx s(cellingen) p(arisis) van pontgelde/
/ gecomen vanden gebrued(er)s vasont dat gerardus gheen/
reden(en) en heeft te seggen en heeft vand(en) voirs(creven) geluefte(n)/
van afleggen(en) niet te wete(n) want hem den pont/
pe(n)ninck van dien mede afgegaen es met meer/
woirden hinc inde gealleg(er)t Es uuytgesproken/
bijd(en) raide vand(er) stadt dat de voirs(creven) henricus sijn/
recht vand(er) uuytpendi(n)gen voe(r) de voirs(creven) xii croenen/
lestwerf gevalle(n) op dat hem die niet en wordden/
voldaen met coste en(de) co(m)me(r) voirts sal moegen volge(n)/
niet tegestaen(de) den belette d(aer)inne gedaen ende/
dat deselve henricus restitue(re)n sal als o(m)behoirlijc/
afgepant de acten ende sc(ri)ftue(re)n des voirs(creven) gerardts/
ende de actie vand(en) beleyde voirt volgen inde banck/
voir meye(r) en(de) scepen(en) van loeven(en) dair en(de) soe dat/
behoirt Act(um) in cons(ili)[o] opidi ambob(us) burg(imagis)[tr(is)] p(rese)ntib(us)/
cav(er)chon vynck scab(inis) pynnock boxhoe(re)n et plu(r)ib(us)/
aliis (con)siliariis aug(usti) penulti(m)a
ContributorsKarel Embrechts
Moderated byKarel Embrechts
Last update: 2017-01-25 by kristiaan magnus