SAL7393, Act: V°419.1-V°421.1 (685 of 692)
Search Act
previous | next
Act V°419.1-V°421.1  
Act
Date: 1500-06-20

Transcription

2021-02-03 by helga peeters
Nae dien wed(er)om comen zijn inde banck voe(r)/
meye(r) ende scepen(en) mest(er) bart(elmeeus) bonen als p(ro)cur(eur) va(n) vr m(ijn) vr(ouwe)/
en(de) (con)vente des goidsh(uys) vand(er) banck en(de) oic als procur(eur) vand(en)/
goidsh(uys) en(de) (con)vente va(n) ons(er) liev(er) vr(ouwen) te puethij bute(n) d(er) stadt/
van vilvord(en) geleg(en) ende als p(ro)cur(eur) van meestere(n) cornel(ise)/
schoonvorst en(de) jouff(rouwe) a(n)ne(n) lobs zijnd(er) huysvr(ouwe) t(er) eendre en(de)/
jan vranx procur(eur) en(de) diene(r) gordts vand(en) berge inde name/
desselffs t(er) and(er) zijde(n) ald(air) de voers(creven) meest(er) bertel(meeus) te kenne(n)/
heeft geg(even) hoe dat voers(creven) m(ijn) vr(ouwe) en(de) and(er) hue(r) mede (con)sorte(n)/
elc voer zijn part en(de) aengedeelte inder mate(n) hen dat/
(com)pete(re)nde was zij en huer voerset(en) nae uutwijsen va(n) seke(re)n/
div(er)sen scep(enen) br(ieven) bij hem geexhibeert gehadt en(de) gehave(n)/
hadden een ame wijns erff(elijck) op eene(n) wijng(ar)t geleg(en)/
opd(en) berch geh(eeten) coelartsberch den welck(en) de voers(creven) goert/
besitten(de) is tussche(n) zijn reg(enoten) ald(air) ende hoe dat de voirs(creven)/
p(er)soen(en) d(air)aff hij als voe(r) procu(r)atie hadde en(de) hue(r) voirsete(n)/
die voers(creven) ame wijns x xx xxx jaere(n) en(de) dagelicx i(n) possessie(n)/
hadde(n) geweest en(de) die alsoe bij goerd(e) en(de) and(er) bet(aelt) geweest/
seggen(de) voirts hoe dat omtrindt loeven(en) kermesse a(n)n[o] xcviii/
de huysvr(ouwe) des voers(creven) goirts met janne vrancx huere(n) p(ro)cur(eur)/
voers(creven) ten bijsijne van meeste(re)n peete(re)n va(n) s(in)[te] peet(er)s/
hue(re)n brued(er) in deen zijde en(de) m(ijn) vr(ouwen) vand(er) banck/
en meest(er) cornel(ise) scoonvorst met hue(re)n p(ro)cur(eur)s in dand(er)/
zijde co geco(m)p(ar)eert hadd(en) voer den rade vand(er) stadt omd(er)/
voers(creven) ame(n) wijns wille ende dat aldair bijd(en) voers(creven)/
verweerde(r) oft zijne(n) procur(eur) gekindt werdt dat dame/
wijns voers(creven) d(air) q(ue)stie o(m)me is xxx xl ja(r)en bet(aelt) hadd(en)/
gheweest tot doen toe behalve(n) djaer vand(en) weygeri(n)g(en)/
sustineren(de) aldair die voers(creven) goirdt oft zijn huysv(rouw)[e] alwaert/
soe dat de geheele ame alzoe bet(aelt) hadde geweest dat/
zij nochtans maer een halve ame sculdich en wa(r)en te/
geven(e) en(de) dat nae alt(er)catie(n) van p(ar)tijen in w(er)sijden
//
de sake en(de) p(ar)tije(n) ghestelt wa(r)en bijd(er) stadt inde banck/
voe(r) meye(r) en(de) scep(enen) Begheerde voirts de voers(creven)/
mest(er) bertel(meeus) inden naeme als voe(r) gevisiteert te hebben(e)/
seke(re) scep(enen) br(ieven) van loeven(e) d(air) va(n) bove(n) me(n)sie g me(n)tie gemaict/
soe van deiling(en) en(de) ande(re) met oick eene(n) instrum(en)te bij he(m)/
aldair geexhibeert d(air)inne me(n) m(er)kelijke bevi(n)de soude de/
co(n)stitutie vand(er) ame(n) wijns erff(elijck) d(air) q(ue)stie om es slaende/
opden gront opde(n) gront d(air) inne begrep(en) en(de) hoe oick/
de selve ame wijns erff(elijck) gecome(n) is totten gene(n) die dactie/
nu d(air)aff hebbe(n) loegheerde voirts gevisenteert te hebben(e)/
een vonnesse d(er) scep(enen) van loeven(e) vand(er) daet xcviii/
febr(uarii) xviii staen(de) geregistreert inde yerste camere/
d(air) inne me(n) bevi(n)d(en) sal een narratie van dien dat goirt/
vand(en) berge bekint heeft der possess(ien) bij sijnder wed(er)p(ar)tije(n)/
gealligeert vand(en) voers(creven) ame(n) wijns en(de) die alzoe va(n)/
ja(r)e te ja(r)e bet(aelt) te hebben(e) Ende ten ande(re)n dat/
tselve vonnesse inhielt bij scep(enen) van loeven(e) doen gewes(en)/
soe v(er)re m(ijn) vr(ouwe) vand(en) goidsh(uyse) vand(er) banck huer/
behout behoirlijck dade nae recht als vand(en) pachte/
bij huer geheyscht op(den) gront d(air) q(ue)stie aff es dat/
huer den selve(n) pacht volg(en) soude It(em) dat der wed(uw)[e]/
vranckx wijlen pinnocx in huere(n) leven(e) de voers(creven)/
ame wijns erff(elijck) plach toe te behoeren(e) en(de) plach te heffen(e)/
van ja(r)e te ja(r)e en(de) dat de voersete(n) en(de) oick dae(n)legge(re)n/
in volcome(n)d(er) possessien hadd(en) geweest bynne(n) xxx ja(r)en/
dertich jaere(n) en(de) d(air)bove(n) Ende hoe wel de voers(creven) sake/
en(de) materie al noch tot gheene(n) volcomen(en) effecte en/
was gecome(n) en(de) bezund(er)t vand(en) voers(creven) voergewijsd(en)/
dwelck mochte wesen in dien dat de voers(creven) m(ijn) vr(ouwe)/
vand(er) banck doent(er)tijt alleen co(m)p(ar)e(re)nde bij hue(re)n p(ro)cur(eur)/
voers(creven) sond(er) mette(n) andere(n) huere(n) (con)sorte(n) mede (con)sorte(n) voers(creven)/
Ende alsoe de selve sake hue(r) behoirl(ijck) led(en) nijet en hadde(n)
//
en(de) alsnu de selve (com)p(ar)eerd(en) ende de voers(creven) goirt/
alnoch weygeringe van bet(alingen) maecte soe hoepte de/
selve p(ro)cur(eur) ind(en) naeme als voe(r) naed(en) voers(creven)/
bescheyden der scep(enen) br(ieven) en(de) ande(re)n instrum(en)ten bij hem/
geexhibeert vand(en) title d(er) voers(creven) ame(n) wijns ende/
d(er) dueghdel(ijcke) possessien bij hem als voe(r) met meer/
andere(n) pointen ingeleet die hij p(rese)nteerde te thoen(en)/
en(de) altijt mette(n) mi(n)ste(n) van [nae] recht dat hem die volg(en)/
soude oft den voers(creven) gront mette(n) coste(n) en(de) co(m)me(r)/
p(rese)nteren(de) oic inde(n) name als voer vand(er) gheend(er) weg(en)/
d(air)aff hij ageren(de) was soe verre dat elck(en) aengae(n) mochte/
voer hue(r) p(ar)t ende portie huer behoirl(ijck) behoudt in dien/
nae recht te doene d(air)teg(en) de voers(creven) goirt gesustineert/
heeft bij zijne(n) procur(eur) voers(creven) de co(n)trarie mids desen reden(en)/
div(er)sen reden(en) inde voergaen(de) processen die h(ier)aff geweest/
moghen zijn bij hen geallig(er)t hopen(de) dat zijne(n) grondt d(air)aff/
onbelast soude blive(n) en(de) dat m(ijn) vr(ouwe) met ande(re)n huere(n)/
adhere(n)te(n) verdoelt waere(n) de geheele ame te eysschen(e) mits/
zekere(n) ande(re)n bescheyde bijd(en) selve(n) geexhibeert bij scep(enen)/
br(ieven) d(air)inne me(n) bevi(n)de(n) soude dat de voers(creven) ame mair een was ee(n)/
halff ame en(de) dat hen mair op een halff ame erff(elijck) gewae(re)nd(eer)t/
was en(de) op een ame lijfftochten met meer ande(re)n bescheyde/
van deijling(en) bij goirden geexhibeert d(air)mede bleeck dat de(n)/
voers(creven) gront mair een halff ame sculdich en soude wes(en)/
en(de) hoe wel de br(ieven) vand(en) wed(er)p(ar)tije(n) mocht(en) sprek(en) van/
eend(er) ame dat deene halff ame mochte bij v(er)andering(en)/
oft affquiting(en) affgeleet zijn p(rese)nteren(de) de voers(creven) halff ame/
te bet(alen) hopen(de) d(air)mede te gestane de voers(creven) procur(eur)/
van m(ijn) vr(ouwe) voers(creven) met huere(n) (con)sorte(n) repliceren(de) gesustineert/
heeft de contrarie seggen(de) dat hij hem nijet en steet aen(de)/
br(ieven) bij goerde geexhibeert mentie makende va(n) waerscape/
vand(en) halv(en) ame(n) wijns erff(elijck) in dien dat de (con)stitucie/
van zijnd(er) rinten nyet en conste gebrek(en) ten wa(r)e dat
//
goirdt dede blik(en) affquiti(n)g(en) vand(en) and(er) halv(en) ame(n) gesciet/
te zijne oft quijtsceldinge in dien de(n) rechte genoch zijn(de)/
dwelck hij ni(m)m(er)meer doen en soude als hij hopte oic mochte/
goirt zijn waerscap hadde hij d(air)aff gebreck sueken ende/
volg(en) nae recht soe hen dat goetdunck(en) zoude en(de) dat/
tselve besceyt bij goirde oft zijne(n) procur(eur) geexhibeert en(de)/
geallig(er)t zijn en(de) deughdel(ijcke) possessie in dien nijet en/
conste gelette(n) noch hind(er)lijck gewesen de voers(creven) goirt/
duplice(re)nde bij zijne(n) procur(eur) heeft altijt gep(er)seve(er)t als voe(r)/
in zijne(n) voernemen(e) hopen(de) d(air)aff genoch bijden reden(en)/
als voe(r) vand(en) voers(creven) geheeld(er) ame(n) o(n)gehoude(n) te zijne/
en(de) in dien met zijnd(er) p(rese)ntatie(n) te gestaen(e) als dat/
de scep(enen) d(er) sak(en) gemaent zijnde bijd(en) meye(r) de voers(creven) /
p(ar)tijen gewes(en) hebbe(n) tot hue(re)n thoene tot eene(n) zekere(n)/
voerled(en) dage tot welck(en) dage d(air)toe dienen(de) de/
voers(creven) aenlegge(r) de voers(creven) zijn brieve(n) vand(er) co(n)stitutie(n)/
d(er) rinte(n) voers(creven) en(de) ande(re) instrum(en)te(n) en(de) munim(en)ten geexhibeert/
heeft en(de) oic en(de) zijn feyte(n) genoch bij levend(er) waerh(eit)/
geve(r)ificeert den rechte als hij hoopte genoch zijn(de) Ende/
de voirs(creven) goirt bij zijne(n) procur(eur) heeft insgelijcx zij(n) scep(enen) br(ieven)/
en(de) ande(re) munim(en)ten voers(creven) geexhibeert en(de) hebben alzoe/
in w(er)sijden de voers(creven) p(ar)tije(n) hue(r) sak(en) geco(n)clud(eer)t bijd(en)/
reden(en) voers(creven) en(de) nae dien de voers(creven) goirdt zij(n) scep(enen)/
br(ieven) als voe(r) geexhibeert hadde en(de) de scep(enen) de materie/
en(de) proces hadd(en) oversien hebbe(n) zij begheert bij zekere(n) hue(re)n/
vonnissen dat de voers(creven) goirdt oft zijn w(er)dinne in dijen/
dat hij nijet wel te passe en was alle hue(r) bescheyt/
van br(ieven) en(de) and(er)ssins den voers(creven) coelart aengaen(de)/
totten rechte bring(en) soud(en) en(de) dat bij eede va(n) in dien/
gheen meer ande(re) te hebben(e) oft te weten(e) dwelck de/
de huysvr(ouwe) des voers(creven) goirdts alsoe gedaen heeft en(de)/
huere(n) eedt in dien bliven(de) bij hue(r) geexhibeerde br(ieven) wesen(de)
//
ond(er) lod(ewijcke) van schoe(re) opde middelste came(re) seggen(de) egheen(e)/
meer ande(re) te hebben(e) oft te weten(e) als dat scep(enen) d(er) sak(en)/
gemaent sijnde bijden meye(r) op al bij hen indt lange gelet/
sijnde en(de) oick gewijsiteert des in dien desen bij p(ar)tije(n) in/
w(er)sijde geseet gethoent en(de) geexhib(eer)t es geweest hebbe(n)/
gewesen voer een vonnesse dat zoe verre mij(n) vr(ouwe) vand(er)/
banck met hue(re)n mede (con)sorte(n) als voe(r) age(re)nde huer(er) behout/
behoirl(ijck) dede nae recht als vand(er) erffpachte bij huer en(de)/
huere(n) (con) mede(con)sorte(n) voers(creven) als voer geheyscht opd(en) gront/
d(air) q(ue)stie aff es dat huer en(de) den selve(n) huere(n) consorte(n) in dien/
gevalle den selve(n) pacht volg(en) zal act(um) in scampno cor(am)/
o(mn)ib(us) scabinis dempt(is) lieffke(n)rode cav(er)son junii xx a(nn)[o] xv[c]
ContributorsJos Jonckheer
Moderated byJos Jonckheer
Last update: 2017-06-14 by Xavier Delacourt