SAL7727, Act: V°265.1-R°266.1 (216 of 306)
Search Act
previous | next
Act V°265.1-R°266.1  
Act

Transcription

2020-01-04 by Dirk De Wever
It(em) want henric stoter van olmen gecocht en(de) gecrege(n) heeft jege(n)/
brued(er) jacob vanden broeke conveers des godshuys van bethleem/
inden name en(de) va(n) weghen des selfs godshuys alle de onberuerle/
goede d henrics heyle(n) van ha(m)me inden landen van brabant en(de)/
va(n) loen gelegen o(m)me xiiii[c] blaeu gulden(en) te wete(n) xl pl(a)c(ken)/
payments alsulc als den t(er)mijn va(n) betalinge(n) gemeynlic in burse(n) gae(n)/
sal te betale(n) tot alsulke(n) t(er)mine(n) gelijc de(n) brief d(aer) af voe(r) scepen(en)/
va(n) loeve(n) gemaect volcomelik(er) begrijpt ende de vors(creven) henric stoter/
nu voe(r) meye(r) en(de) scepen(en) van loeve(n) inde voirs(creven) goede also v(er)re/
als die in brabant ligge(n) gegoedt en(de) gevesticht is hem noch/
negheen guedinghe vande(n) loenschen goeden hebbende Daer om eest/
dat voe(r) scepen(en) va(n) loeve(n) tussche(n) de(n) vors(creven) brued(er) jacob inde(n) name/
vande(n) vors(creven) godshuyse en(de) henricke(n) stoter voirs(creven) openbaerlic gevorwerdt/
en(de) ond(er)sproke(n) es Eest also dat de vors(creven) henric stot(er) vanden loenschen/
goeden goede vesticheyt ontseet v bynne(n) jaers naest comende dat hi/
dan de geheel so(m)me voirscr(even) betale(n) sal gelijc de(n) brief d(aer) af/
gemaect dat uutwijst En(de) oft tvors(creven) godshuys oft yemant in/
sine(n) name hem de vors(creven) vesticheyt niet en conste tegedoen/
hebbe(n) [of te doen doen] vande(n) voirs(creven) loensche(n) also goede(n) So sal alsdan de vors(creven)/
henric stot(er) vlien en(de) gestaen mogen voe(r) de brabantsche goede/
voirs(creven) vander p(ri)ncipaeld(er) so(m)men voirgheruert met vierhondert/
gulden(en) voirs(creven) te betale(n) gelijc voirscreve(n) steet en(de) vande(n) ande(re)n/
dusent gulden(en) ongehouden zijn Voert is gevorwerdt alse vande(n)/
beleyde daermede de vors(creven) brued(er) jacob come(n) en(de) geleydt is tot/
[alle(n)] den goeden des voirs(creven) henrics stoters bynne(n) brabant gelege(n) dat/
de selve brued(er) jacob daer mede niet vord(er) noch meer w(er)ken/
en sal op des selfs henrics goede dan alleen om te hebben/
en(de) te gecrige(n) de so(m)me ghelts voirscr(even) gelijc als die na inhebbe(n)/
der vorw(er)den jaerlex vallen sal En(de) als de vors(creven) so(m)me gelts/
geheelic en(de) al betaelt sal sijn so is claerlic gevorwerdt/
en(de) ond(er)sproke(n) datme(n) dan den vors(creven) henricke(n) of sine(n) nacomelinge(n)/
/ de vors(creven) brieve beyde beleydbrief en(de) schoutbrief t(er) stont ov(er)geve(n) sal/
al sond(er) argelist en(de) te goed(er) meyni(n)ghe(n) En(de) in des(er) vorw(er)den sijn uutgescheide(n)/
de goede hier na bescr(even) des vors(creven) henrics heylen Inde(n) yersten/
alle de(n) erfpacht gelege(n) ond(er) janne van assche gelege(n) inden lande va(n)/
loen It(em) alsulke(n) goede als de vors(creven) henric heyle(n) houdende is te coersele/
En(de) een beemdeken gele dat nu in handen [heeft] jannes claes Daer in/
de vors(creven) henric stoter niet [rechts] hebbe(n) en sal It(em) is noch vorw(er)de dat/
de voirs(creven) henric stot(er) vande(n) loensche(n) goeden en(de) brabantsche(n) goede(n)/
den last vande(n) pontghelde dragen sal It(em) en(de) den tsijs betale(n)/
[vacat]/
It(em) heeft geloeft de vors(creven) henric stoter den vors(creven) brued(er) jacob dat/
hi tot sijnre mae(n)nisse(n) b(ri)nge(n) sal tot sijnre mae(n)nissen voe(r) scepen(en)/
va(n) loeve(n) gielise va(n) hannuyt dieme(n) heet thijs andries swynnen/
dieme(n) heeft van hodonc va(n) testelt en(de) wille(m) wrickarts/
oft and(er) drie also goet in hae(re) stat om te gelove(n) de vors(creven)/
p(ri)ncipael so(m)me gelts te betale(n) ten t(er)mine(n) voirger(uert) oec sond(er) argelist/
Oec heeft geloeft de vors(creven) brued(er) jacob dat hi den borghen/
als die gesett sele(n) zijn mette(n) vors(creven) beleyde behulp doen sal/
op des vors(creven) henrics stoters goede op dat sij tvors(creven) gelt/
oft porcheele(n) va(n) dien mette(n) rechte moeste(n) betale(n) wittema(n)/
cap(elle)[man] febr(uarii) xii
ContributorsInge Moris , Agata Dierick
Moderated bykristiaan magnus
Last update: 2012-09-07 by Sabrina Keyaerts