SAL7761, Act: R°112.1-V°112.1 (332 of 650)
Search Act
previous | next
Act R°112.1-V°112.1  
Act
Date: 1473-02-08

Transcription

2020-07-23 by Walter De Smet
It(em) engelbrecht taverniers woenen(de) ter loonbeken heeft overgegeven/
en(de) bekendt ov(er)gegeven te hebben janne de cuype(re) margrieten zijnen/
wive dochter svoirs(creven) engelbrechts en(de) marien en(de) katlinen tav(er)niers/
zust(ere)n der voirs(creven) margrieten te voe(re)n uut des voirs(creven) heurs/
vaders brode behoirlic gedaen alsulken tocht alse de voirs(creven)/
engelbrecht [heeft] en(de) houdende es in alle alsulke erflike en(de) haeflike/
goede alse den voirs(creven) gezust(ere)n aencomen souden na zijn doot/
en(de) hen bleven zijn na daflivich(eit) van katlinen vander heyden/
heurer moeder en(de) gelijc zij de voirs(creven) haeflike goede nu van/
hem overhebben en(de) selen voirts trecken alle de sculden diemen/
hem sculdich was en(de) betalen alle sculden die hij sculdich es/
en(de) hem d(air)af scadelois ontheffen Ende des hebben gelooft/
de voirs(creven) jan margriete zijn wijf marie en(de) katline den/
voirs(creven) engelbrechte te houden van eten drincken clede(re)n en(de)/
schoen en(de) ande(re)n behoeften wel en(de) temelic na zinen staet/
en(de) hem d(air)toe noch te gheven alle weken vier stuv(er)s zo/
langhe hij bij hen oft e(n)nighen van hen woenen sal ende/
oft hij van hen namails toghe woenen zo selen zij hem/
jairlicx gheven also vele alse de voirs(creven) erflike goede/
jairlicx bevond weerd bevonden selen werden ter taxacien/
van goeden ma(n)nen mair selen vanden voirs(creven) vier stuv(er)s/
van dan voirtaen ongehouden bliven Ende es tusschen/
de voirs(creven) twee gezust(ere)n en(de) heuren zwag(er) en(de) zijnen wive/
bevorw(er)t dat elke vanden selven tween ongehuwden/
gezust(ere)n vanden voirs(creven) haefliken goeden voer uut hebben/
sal also vele alse de voirs(creven) heure gehuwde zuster/
met heuren man in huweliker vorwerden gehadt heeft/
en(de) tsurplus oft daer e(n)nich wae(re) vanden haefliken goeden/
zelen zij onder hen drie p(ar)tien gelijc deylen en(de) elck sal/
met zinen gedeelte zinen vryen wille doen Ende oft/
de have dat niet en verstringhde zo selen zij dan dat/
gebreck nemen aen derflike goede ende tvoirs(creven) erve
//
en(de) de p(ro)fijten dairaf afgetoghen yerst tvoirs(creven) gebreck vander/
haven oft e(n)nich ware selen de voirs(creven) drie p(ar)tien te gelike hebbe(n)/
en(de) boe(re)n en(de) de voirs(creven) vier stuv(er)s de weke zo langhe de vad(er)/
bij hen woend oft de weerde vanden erfgoeden zo langhe hij/
van hen woend te gelike betalen Hebben voirt gelooft den/
voirs(creven) vader van zijnen voirs(creven) vier stuv(er)s oft vand(en) weerden/
vanden erfgoeden tsjaers te gheven hem goede redelike/
borchtocht te zetten tsijnre manissen Cor(am) opp(endorp) borgh fe(bruarii) viii
ContributorsJan Boncquet
Moderated byJan Boncquet
Last update: 2016-05-10 by Xavier Delacourt