SAL7767, Act: V°32.1-V°33.1 (75 of 732)
Search Act
previous | next
Act V°32.1-V°33.1  
Act
Date: 1480-09-04

Transcription

2019-05-01 by Greet Stevens
Wij vync cav(er)son scepen(en) te loeven(en) doen cond ende kenlijc/
eenen(n) yegeliken dat opden dach van heden datum van desen/
voir ons comen sijn in p(ro)pe(re)n p(er)sone(n) willem van daelhem sone/
wile(n) willems ter eenre ende henr(ic) van daelhem brueder/
des voirs(creven) willems ter ande(r) zijden Ende hebben de voirs(creven)/
henr(ic) tot des nae bescr(even) is uute(n) broode jouffr(ouwe) elsen pynnock/
weduwe des voirs(creven) wilen willems va(n) daelhem sijnder/
jouffr(ouwe) moed(er) behoirlijc gedaen bij consente der selver ende/
affirme(re)nde de voirs(creven) henr(ic) dat hij is oudt xxv jaer/
ende d(air)enbove(n) gekint ende gelijdt dat zij met/
malcande(re)n bij rade en(de) avise van e(n)nigen hue(re)n mage(n) en(de)/
vrienden overcome(n) sijn eens worde(n) ende veraccordeert der/
pointen vorweerde(n) ende condicie(n) hier nae volgen(de) Te weten(e)/
inden yersten dat de vors(creven) willem den voirs(creven) henr(icke) zijnen/
brueder binne(n) xv dage(n) naestcomen(de) behoirlijc goeden erve(n)/
ende vestige(n) sal nae den leensche(n) rechte voir ons(en) gened(igen)/
hee(re) den hertoge oft zijne(n) stedehoude(r) ende ma(n)nen van leene/
van brabant inde heerlicheyt des voirs(creven) willems die hij/
heeft te wenre te aetrode te glabbeke ende dair omtrint/
mette(n) manscape(n) laetscape(n) p(er)tkue(re)n hoeve(n) ende chijs(en) in s(chellingen)/
d(enieren) cap(uynen) even(en) ende allen ande(re)n toebehoirte(n) gelijc alsoe/
en(de) in alle der manie(re)n de voirs(creven) willem en(de) sijne voirsate(n)/
die in eene(n) vollen leene van ons(en) voirs(creven) gened(igen) hee(re) den/
hertoge inden voirs(creven) plaetsen ende dair omtrent te leene/
gehouden hebben It(em) dat de voirs(creven) willem de voirs(creven) guedinge/
en(de) vestich(eit) gedaen sijnde den voirs(creven) henr(icke) sijne(n) brueder/
ter stont geve(n) ende over leve(re)n sal alle br(ieve) boeken rolle(n)/
en(de) alle ande(re) munime(n)ten die hij heeft oft weet den/
voirs(creven) leene(n) aengaen(de) Welcke voirs(creven) leene(n) de voirs(creven)/
henr(ic) tegen den voirs(creven) willem(me) sijne(n) brued(er) deugdelijc/
en(de) sonder fraude heeft gecocht om ende voe(r) de so(m)me/
van tweelfhondert ryns guld(en) te tsestich pl(a)c(ken) brab(ants)/
payments elcke(n) r(yns) gul(den) gerekent die welcke so(m)me/
de voirs(creven) henr(ic) den voirs(creven) willem(me) sijne(n) brued(er) betalen sal/
soe met gereede(n) pe(n)ning(en) soe met ande(re)n laste(n) van erf/
en(de) lijfrinte(n) en(de) oic scatsculd(en) die de voirs(creven) wille(m) sculdich/
is en(de) die de voirs(creven) henr(ic) van nu voirtaen tot ewige(n) dage(n)/
te he(m)weert genome(n) heeft Inder vuegen ende manie(re)n/
als hier nae volge(n) Te weten(e) inden yersten sal de voirs(creven)/
henr(ic) te he(m)weert neme(n) alsulcken tweelf pet(er)s elcken/
pet(er) te xviii st(uvers) gerekent erfliker rinte(n) staende ter
//
quitingen den d(enier) xviii mette(n) pachten van twee ja(r)en gedragen(de)/
tsamen tweehondert sesthien r(yns) guld(en) te tsestich pl(a)c(ken) tstuc als/
de voirs(creven) henr(ic) ten tide als de voirs(creven) wille(m) sijn brued(er) in vrancrike/
gevang(en) was om desselfs willems ranson te gecrige(n) aen/
ja(n)ne de waerseghe(re) gefineert heeft en(de) op sijns selfs/
goede(n) bevesticht sonder dat hij den voirs(creven) willem(me) oft/
zijne(n) nacomeling(en) uut saken van dien yet sal moegen/
eyssche(n) en(de) sal de selve henr(ic) ter manissen des voirs(creven)/
willems casseren ende te nyeute doen alle alsulcke(n) brieve(n)/
als de voirs(creven) wille(m) op hem en(de) sijn goede te ontheffen/
vand(er) voirs(creven) rinte(n) hem heeft gelooft It(em) alsulcken vie(r)/
crone(n) lijft(ochten) te xxiiii st(uvers) tstuc mette(n) pachte van eene(n) jae(r)/
gedragen(de) tweenvijftich r(yns) gul(den) en(de) xvi st(uvers) ind(er) weerde(n)/
voirs(creven) als de voirs(creven) wille(m) met seke(re)n sijne(n) borge(n) h(er) ph(ilip)s/
van scoenhove(n) ridd(er) hee(re) te waenrode sculdich is It(em)/
alsulcken vie(r) r(yns) guld(en) inder weerden voirs(creven) lijft(ochten) mette(n)/
pachte(n) van twee ja(r)en maken(de) achtenveertich gelike r(yns)/
guld(en) als willem oic jaerlicx sculdich is lodewijke roelants/
It(em) alsulcke(n) acht r(yns) guld(en) lijftochte(n) inder weerden voirs(creven)/
mette(n) pachte van eene(n) jae(r) gedragen(de) achtentachte(n)tich/
gelike ryns gul(den) als de voirs(creven) wille(m) oick sculdich is/
denijse melgiers geheete(n) laukens It(em) alsulcken drie/
r(yns) guld(en) lijft(ochten) ten prise voirs(creven) metten pachte van eene(n)/
jare gedragen(de) driendertich gelike r(yns) gul(den) als de voirs(creven)/
willem weyne stercx jaerl(ijx) sculdich is It(em) alsulcken/
thien cronen te xxiiii st(uvers) tstuc lijft(ochten) metten pachte/
van eene(n) jae(r) gedragen(de) hondert en(de) tweendertich r(yns)/
guld(en) ten prise voirs(creven) als de voirs(creven) willem ja(n)ne van berthem/
sculdich is It(em) alsulcken drie r(yns) guld(en) lijft(ochten) ten prise/
voirs(creven) metten pachten van twee ja(r)en gedragen(de) sessendertich/
r(yns) guld(en) als de voirs(creven) willem sculdich is ja(n)ne van baussele/
It(em) sulle(n) aen den voirs(creven) henr(icke) versmelte(n) alsulcke(n) twintich/
r(yns) guld(en) en(de) vii(½) st(uvers) ten p(ri)se voirs(creven) als de voirs(creven) wille(m) hem/
sculdich is en(de) die de voirs(creven) henr(ic) aen willems sculde(n)/
meer uutgegeve(n) heeft dan ontfaen binne(n) den tide dat hij/
desselfs willems sijns brueders goede in handen heeft/
gehadt It(em) sal de voirs(creven) henr(ic) drage(n) en(de) betalen der/
voirs(creven) sijnder jouffr(ouwe) moeder de p(er)cheelen hier nae volgen(de)/
die de voirs(creven) willem huer sculdich is Te weten(e) van
//
des zij aen des voirs(creven) willems moelen meer uutgegeve(n) heeft dan/
d(air)af ontfaen vijf ryns guld(en) inder weerde(n) voirs(creven) en(de) xiiii(½) st(uvers)/
desgelijcx dat zij aen willems hoff meer uutgegeve(n) heeft/
dan ontfaen derthien gelike r(yns) guld(en) en(de) drie st(uvers) Ende/
noch alsulcken vijftich ryns guld(en) ten prise voirs(creven) als de/
voirs(creven) wille(m) der voirs(creven) sijnd(er) jouffr(ouwe) moeder uut saken van hue(re)r/
duwarie(n) sculdich is Alle welcke so(m)men ende p(er)cheelen/
voirs(creven) come(n) en(de) gedrage(n) ter so(m)men van sesshondert vijfendenege(n)tich/
ryns guld(en) inder weerden voirs(creven) en(de) ene(n) stuv(er) Ende tsurplus/
gedragen(de) vijfhondert vie(r) gelike r(yns) guld(en) ende negenthien/
stuv(er)s sal de voirs(creven) henr(ic) den voirs(creven) willem(me) sijne(n) brueder/
in gereede(n) pe(n)ning(en) wel en(de) deugdelijc uutreycken en(de) betale(n)/
ter tijt vand(er) gueding(en) voirs(creven) ende vestich(eit) voirs(creven) t(am)q(uam) ass(ecutu)[m]/
It(em) is vorweerde dat de voirs(creven) henr(ic) van nu voirtaen alle/
de lasten ende co(m)me(re)n voirs(creven) drage(n) sal en(de) betalen tallen t(er)mijne(n)/
als die vallen ende verschijne(n) sulle(n) ende den voirs(creven) willem(me)/
sijne borge(n) en(de) goeden d(air)af scadeloes houden ende ontheffen/
En(de) soe verre de voirs(creven) wille(m) zijne borgen oft goeden dair/
voe(r) oft e(n)nige van dien in e(n)nigen tiden gepraemt werden dat/
de voirs(creven) wille(m) hem sijne borgen en(de) goeden d(air)af met alle/
costen ende lasten zij wae(re)n van rechte oft ande(re) met des(en) op/
den voirs(creven) henr(icke) ende zijne goede sal moegen verhale(n) ende/
ontheffen scadeloes Ende ter meerder sekerh(eit) sal de voirs(creven)/
henr(ic) binne(n) twee maenden naistcomen(de) voir alle de p(er)cheele(n)/
voirs(creven) en(de) voir elcke besund(er) als p(ri)ncipael hem verlove(n) voir/
scepen(en) van loeven(en) en(de) gelove(n) den voirs(creven) willem(me) ende sijne/
borge(n) te ontheffen alsoe hij met desen gelooft heeft Ende/
alle dese vorweerd(en) condicie(n) ende geloften voirs(creven) [en(de) elcker besund(er)] hebbe(n)/
gelooft de voirs(creven) gebruede(re)n voir hen hue(re)n erfg(enamen) ende/
nacomeling(en) malcande(re)n goet vast gestentich en(de) van/
weerde(n) te houden en(de) te voldoen(e) al elc den ande(re)n/
zijne goede ber(uerlike) en(de) onber(uerlike) jeg(enwoirdige) en(de) toecomen(de) dair/
voe(r) verbinden(de) ende veroblige(re)nde [q(uo)l(ibet)] t(am)q(uam) ass(ecutu)[m] septe(m)br(is) q(ua)rta
ContributorsJos Jonckheer
Moderated byJos Jonckheer
Last update: 2018-04-04 by The Administrator