SAL7835, Act: V°467.2-V°470.1 (1433 of 1438)
Search Act
previous | next
Act V°467.2-V°470.1  
Act
Date: 1550-01-002
LanguageNederlands

Transcription

2020-07-09 by Transkribus Software
Sijn bleve(n) en(de) gevalle(n) der v(oir)s(creven) jouff(rouwe) ka(tlij)[ne(n)] in hue(r) deylinge de p(ar)te/
nabescriven En(de) yerst een huys met zijn(en) hove twee uuyt/
gangen den een(en) uuytcomen(de) achter de willenman/
na s(in)[te] pee(te)s kercke ende den anderen uuytcomende/
inde scrijnstrate m(et) een(en) huysken aen(den) hof vand(en) selve(n) huyse staen(de)
//
en(de) anderen zin(en) toebehoirten r(en)genote de collegie van hout(er)le/
ter een(re) en(de) de huys(en) vand(er) v(oir)s(creven) erfgename(n) van duffl(e) inde scrij(n)st(ra)te/
ter ande(re) en(de) in mijchiel drusius doctor in(der) r(e)chten ter/
iiier zijd(en) opde lasten d(aer) uuytgaen(de) als yeist aen een pynde/
oft lasten almoesse te distribue(re)n jaerlijcx op(den) yesten/
sondach va(n) sinxen(en) inder kerken van s(in)te pet(er)s te loven(e)/
voer den uutan vand(er) heylig(er) drievuldich(eit) alsulcken/
twee mudd(en) t(er)wen erffl(ic) alsmen d(aer)[te] gewonl(ic) is te/
betale(n) It(em) noch voer een singen(de) messe jairl(ix) ind(er)/
kerken van s(in)[te] pet(er)s vur den outair vand(er) heylig(er) drie/
vuldicheyt gedaen te worden(e) xx s(cellingen) ant(iecke) It(em) ten mijn(re)/
vrouwen absoloens drie s(cellingen) boone en(de) een(en) capuyn(e)/
It(em) aen(de) hertoch van brabant een(en) s(celling) boen It(em) aen(de) stat/
van loven een(en) s(celling) rt? en(de) drie l(i)b(ra) payments It(em) aen/
het cap(it)le van s(in)[te] pe(ter)s te loven(e) thien pen(ningen) artois/
xxxv s(cellingen) p(ri)mi vill(ici) p(rese)nti en(de) noch xx s(cellingen) tournoise/
It(em) noch belast met twee cap(uynen) en(de) viii oude gr(oten)/
It(em) den selven is noch gevalle(n) alsulcken bogaert/
met twee huys(en) deen vand(en) selve bog(ar)t en(de) dand(er)/
d(aer) vast aen staen(de) als de selve kynde(re)n liggen(de) heb(ben)/
opde voere inde donckerstrate met een(en) hove hoepe/
fruijthove vast aen(de) selven bog(ar)t gelegen comen(de) en(de) strecken(de)/
eest tot aen(de) strate tusschen de goed gielijs vand(er) lynd(en)/
en(de) berth(elt) voirs(creven) heetvelde ter eenr(e) en(de) gielijs/
crols en(de) willem vand(en) vilren ter ande(r) zijd(en)/
v(oir)s(creven) come(n) d(aer) uuytgaen(de) als yerst aen(de) linghe van s(in)[te]/
r(e)meys te loven(e) vijf r(ins) g(ulden) en(de) x st(uvers) erf(lijck) ghebuert/
den pen(ning) xvii aen mijn vr(ouw)[e] vand(er) me(re) dco vijf/
erff(lijck) vijf heerlig(en) erfchijs aen(de) welck ghoe(re)ns drie/
rin(s)g(ulden) i(½) s(celling) boone oick erfchijs It(em) der selve jouff(rouwe)/
katlijne zijn noch gevalle in sine deylinge de p(er)ceelen/
on(der)bescreven geleg(en) ond(er) berthem en(de) d(aer) omtrent
//
Als yerst een dach(mael) lants gelege(n) aen(de) strate geheete(n) de/
camerstrate ter eenr(e) de goede vand(en) roeden cloeste(r) t(er) ande(re)/
den breeden wech aldaer ter iii[e] zijd(en) It(em) een dachmael/
lants opt dorreken velt r(e)genote(n) r(e)genoete(n) de goede/
van arde goessens te eenr(e) het cloester vand(er) banck t(er) ande(re)/
en(de) die vand(er) came(re)n t(er) derde(re) zijd(en) It(em) een dachmael/
lants erfhoven r(e)genote de goede willems van thien(en)/
t(er) een(der) en(de) tgroot gasthuys van loven(e) t(er) ande(r) zijd(en)/
It(em) noch twee vie(re)nd(elen) lants tussche(n) de perchstrate/
en derfgename(n) robbeerts van eftene(n) It(em) iii dach(mael)/
lants bove(n) henr(ic) loenijs blocke zo nev(en) metten/
... een(en) ynde op de proefstrate bijde goede/
vand(er) proefstien van corby gelijck de voirs(creven)/
p(ar)ceele(n) in pachtinge gehoud(en) wordd(en) van ja(n)ne/
doningberre molde(r) te berthem It(em) noch/
een dach(mael) lants oic te berthem gelegen r(e)genote/
de goede henrick pickarts ter eenr(e) des paus/
collegie ter ande(r) valentijn bogarts t(er) iiie zijd(en)/
It(em) noch zeven dach(mael) lants onbegrepen vand(er)/
maten gelegen bijde goehove gelijck jan van(den)/
borre dat in pachtinge houden(de) w es belast/
met xiii pen(ningen) bereet Ind(en) selven voirsc(reven) letter[en]/
zijn noch in deylinge(n) gevallen op sek(er) erfgoed(en) gelegen/
te berthem ten erfpachte uuytgeve(n) janne coesmans/
ts(in)te andriesmesse te betalen(e) negen halster rogs/
erf(pachts) It(em) noch op selve velt inclusive nae/
den godshuyse vand(er) banck in erfchijnse/
xi st(uvers) erflijc It(em) noch drie dachmale(n)/
vijfthien roden bosch ombegrepe(n) vand(er) maten/
gelegen ond(er) pellenberch ind(en) honshoevel
//
ter plaets(en) geheete(n) ho(m)mershove r(e)genote tgodshuys van percke/
ter eend(er) gielijs van goelen ter ande(re) tgodshuys van vlierbeke/
ter iii[e] en(de) mathijs ghoclijs t(er) iiii[er] zijd(en) It(em) noch een boend(er)/
en(de) xl roeden bossch ombegrepe(n) d(er) maten geheete(n) de ov(er)ste/
billanshaghe oic ond(er) pellenberch geleg(en) den groeve(n)/
wech ald(aer) ter eenr(e) den heylige(n)geest van loven(e) ter ii[re]/
de v(or)s(creven) erfgename(n) van duffle ter iii[e] en(de) iiii zijd(en)/
It(em) noch sulcle land(en) als de v(or)s(creven) kijnde(re)n van duffle/
houden(de) en(de) hebben(de) zijt in div(er)se p(er)cerlen gelegen inde [ond(er)] p(ro)chie/
van s(in)[t] jorijs wijnghe groot tsame(n) omtrint vi boend(er)/
ombegrepen vand(er) maten belast d(aer) af zele(n) die p(er)ceelen/
groot sijn omtrent een boend(er) en(de) een half dach(mael) lants met/
ii pen(ningen) boone en(de) liggen(de) ond(er) twee keurhove(n) en(de) een/
keurpeert It(em) noch i(½) dach(mael) beemps vustrynghe/
gelegen t(er) plaets(en) geheeten daelhe(m) tegen ov(er) den spickart/
r(e)genote in franchois van cranevelt ter eenr(e) de halem strate/
t(er) ande(r) en(de) de strate gaen(de) na tseek ter derde(re) zijd(en)/
It(em) noch een(en) boend(er) d(aer) bij geleg(en) groot een dach(mael) ombegrep(en)/
vand(er) maten r(e)genote v delen sbisscops in twee zijd(en)/
en(de) she(re)n strate alh(ier) t(er) derde zijd(en) belast aen(de) kercke/
van wynghe t(er) met sestien st(uvers) It(em) noch een bog(ar)t/
soe dien oic gelege es te wynghe tegen thof van/
m(eester) franss(en) van crane(n)velt de strate ald(aer) ter eenre en(de)/
de land(en) desselfs cranvelts t(er) ande(r) zijd(en) belest yerst/
van mijn he(re) van wynghe met een halst(er) raepsarts/
eflijck It(em) aen(de) heyl(ige)g(eest) van winghe xii st(uvers) erfl(ijc)/
It(em) vnoch (½) boend(er) beempt geheete(n) broeck eeussele/
o(n)begrepe(n) d(er) maten oic gelegen te wynghe r(egeno)[te]/
de goede des v(or)s(creven) cranevelts in twe zijd(en) It(em) een/
dachmael bossch te wynghe t(er) plaets(en) geheeten sgrune(n)delle/
r(e)genote odilie bisscops te twee zijd(en) jan van rode
//
ten derde(re) en(de) tcloeste(r) van lynte(r) ter iiii[er] zijd(en) It(em) een dach(mael)/
bosch gelegen ond(er) wynghe bij de plaetse dieme(n) braeck be(m)pt/
en(de) tcloester van lynte(r) ter iiii[er] zijd(en) It(em) een dachmael/
bosch soe dat gelegen es ond(er) wynghe bijd(er) plaets(en) geheet(en)/
braeck beemt r(egeno)[te] jan van rode in twee zijd(en) cranevelt/
ter derde(r) en(de) de hee(re)n van wynghe ter iiii[er] zijd(en)/
It(em) noch iii dachmale(n) bossch geheeten janeken bossch/
oick onder wynghe gelegen r(e)genote de goede des/
voirs(creven) cranevelt te drie zijd(en) en(de) de strate gaen(de)/
na halen ter vierde(r) zijd(en) der selver jouff(rouwe) ka(tlij)[nen]/
zijn noch te deele gevallen de goede na bescreve(n)/
gelegen ond(er) halen Inden yerste vii dach(mael) lants geleg(en)/
ond(er) halen t(er) plaets(en) geheeten de metten berch r(e)genote/
mathijs raymakers ter een(re) en(de) de beghijn(en) van diest/
ter ande(re) en(de) de strate ald(aer) ter iii[e] zijd(en) belast m(et)/
een(en) halster even(en) en(de) een hoepsele en(de) i(½) d(enier) boone/
It(em) vijf vie(re)nd(ele) lants op langvelt ond(er) halen/
r(e)genote den heiligen geest van halen ter eenr(e) en(de) jonch(er)/
willem amours ter ande(re) en(de) derde(r) zijd(en) en(de) henr(ic)/
braeckman ter iiii[e] zijd(en) belast met een(re) d(enier) boone/
It(em) noch een dachmael lants t(er) plaets(en) geheeten dachterse/
nyeuwe gracht r(egeno)te den heylige(n)geest van halen/
in twee zijd(en) en(de) hee(re)n sjongen ten ande(re)n twee zijd(en)/
op twee pen(ning) boone aen(den) hee(re)n van s(in)[t] lambrechts/
It(em) (½) dach(mael) lants opt selve velt r(e)genote de/
goede sgasthuys van halen ter eenre geldolf/
sjongen ter ande(re) en(de) iii[e] en(de) goirt pijpels ter iiii[re] zijd(en)/
belast vand(en) shee(re)n van s(in)[t] lambrecht met een(re) drie/
pen(ning) boone en(de) een vierd(el) even(en) It(em) i(½) boend(er)/
lants geleg(en) topvelpe opt velpervelt ond(er) halen/
bijd(e) plaets(e) geheet(en) pampurte tusschen de goede/
vand(en) heyligen geest van halen t(er) een(re) jan schaem/
bruers in twee zijd(en) geldolf sjongen t(er) iiii[e] zijd(en)/
Alsoe de voirs(creven) vijf parceele(n) lants tot halen bij franss(en)/
fons in pechtingen gehoud(en) It(em) der selver es noch gevalle(n)/
een dach(mael) beems ombegrepe(n) vand(er) mate(n) geheeten deygenhaghe/
oick ond(er) hale(n) gelegen r(e)genote de goede magrietens
//
int sweert tot diest den heylige geest van diest in twee zijd(en)/
en(de) franss(en) geheete(n) ond(er) deycke ter iiii[e] zijd(en) op vijf p(art)en boone/
d(aer) uuytgaen(de) It(em) noch een dach(mael) beems geleg(en) rond halen/
t(er) plaets(en) geheete(n) swijgerhoven she(re)n strate te twee zijd(en) en(de)/
derfgename(n) vand(en) kerchove ter iiii[e] zijd(en) belast aen(de)/
kercke van halen met een quarte wijns en(de) aen(de) hee(re)n/
van s(in)[t] lambrecht een(re) pen(ning) boene It(em) noch i(½) dachmael/
bossch gheeten alarts delle de hee(r) van velpe te twee zijd(en)/
de strate aldaer ter iii[er] en(de) het cloester van rotthem t(er) vierd(er)/
zijd(en) It(em) noch een boend(er) beemps ombegrepe(n) vand(er)/
maten geheeten kieversberch r(egeno)[te] tcloester van rottem te/
iii zijd(en) en(de) godevart moens ter iiii[er] zijd(en) belast/
met v pen(ningen) boen(en) gehoud(en) in hueri(n)ge(n) van hubrecht goesse(n)s/
It(em) noch een boend(er) boons ombegrepe(n) d(er) maten oic ond(er)/
halen glegen r(egeno)[te] de goede pet(er)s villeers raymakers/
te ii zijd(en) en(de) she(re)n strate aldaer ter iiii[er] zijd(en)/
belast met een(en) st(uver) x(½) pen(ning) gehoud(en) in hueri(n)ge(n) van tho(ma)se/
sgreven It(em) noch vi stucken erfs beemps wesen(de) met/
noch een(en) bossche daer aen gelegen tsamen groot omtre(n)t/
een boend ombegrepen d(er) maten gelegen t(er) plaetss(en) geheet(en)/
liefkensroys den heylig(geest) van corttenaken v(or)s(creven) in twee zijd(en)/
willem co(m)mers ter iii[e] en(de) de hee(r) van loenbeke t(er) iiii[er] zijd(en)/
belast aen(den) selven hee(r) van loenbeke m(et) iii(½) d(enier)/
Item noch een stuck lants groot vijf dachmalen o(n)begrepen d(er)/
maten gelegen t(er) plaets(en) geheeten liefkensroye ond(er)/
corttenaken r(e)genote de goede wout(er)s vand(en) wynne/
in twee zijd(en) wout(er) van netham t(er) iii[e] en(de) de strate alh(ier)/
ter iiii[er] zijd(en) belast met x s(cellingen) ii d(enieren) en(de) liggen(de) ond(er) keurpeert/
van(den) hee(r) van vlierbeke der na? es noch gevallen op selve/
huys en(de) hof lijsbetten van cesue(re)n gelegen ond(er) beetze vier/
hollants guld(en) erfl(ijck) v(er)schijnen(de) ts(in)[t] dormisse en(de) noch xvi(½) st(uvers)/
v(er)schijnen(de) in merte tsamen inde jairlichsche betalinghe/
vie(r) ri(ns)g(ulden)s en(de) een(en) halven st(uver) In der selv(er) es noch/
gevallen (½) boend(er) beems ombegrepe(n) vand(er) maten gelegen/
ond(er) miskem t(er) plaets(en) geheeten rijse(re)n r(egeno)[te] den heyligen geest
//
van diest ten eenr(e) en(de) jan van surple ter ande(re) en(de) de/
beke ald(aer) ter iii zijd(en) belast met ix st(uvers) erfchijs en(de) met sele r(e)/
genote van een(en) stuyve(r)e aen(den) hee(r) van sichen(en) It(em) noch (½) boend(er)/
lants oic ond(er) miskem gelegen r(e)genote de goede va(n) a(n)ne/
van huys ter eenr(e) marie van gheel ter ande(r) en(de) de/
plaetse geheet(en) wijngart ter iii[er] zijd(en) belast met/
iii d(enieren) boone It(em) noch een(en) hof te loven(e) inde veste/
gelegen vand(en) groote(n) guld(en) vast aen s(in)[t] mychiels porte/
achter en(de) aen s(in)[te] mychiele kercke op xx st(uvers) erflijc/
d(aer) uuytgaen(de) It(em) noch een vie(re)nd(eel) wijng(ar)ts alsoe/
dat geleg(en) es te loven(e) opd(en) vildriessche r(e)genote de/
goede henr(ix) van ermbeghen ter eenr(e) jan zege t(er) ande(re)/
en(de) de strate ald(aer) ter iii[e] zijd(en) It(em) noch alsulcken/
twee rynsguld(en) erflijker rinte(n) d(aer) de v(or)s(creven) kijnde(re)n/
heffen(de) zijn op selv(er) goede gelege(n) buyt(en) de borchport/
wijngart porte toebehoeren(de) gillise dillen [opde(n) co(m)me(r) nabescreve te wete(n)en iest thien r(ins)g(ulden) lijfrenten die jouffr(ouwe) mag(ri)te van berthem gelaten heeft katlijn(e) en(de) margriet van duffle de(r) selve des v(or)s(creven) gerintlijx d(aer) af de selve margriete huer voerseghen heeft ende wair af de selve ter ... de hoet pen(ninc) vors(creve)n gehadt te rag.? sund.(rte)? vervolg(ende)deheeteen? ... noch vijf rinsg(ulden) erfl(ijck) aen iregarde? smeyers ter g... den pen(ninc) xviii ende drie r(ins)g(ulden) alse te g(ro)ten alo.? aen een heur(er) vand(en) cuelen v(er)schinen(de) in septembri noch xxxvi st(uvers) erflijc aen augustijn(e) van lare v(er)schijnen(de) in dece(m)bri en(de) te quiten(e) als voir [gancbaer als voir] aen janne van berthem twee r(ins)g(ulden) end(e) xxxi st(uvers) oft v(er)schijnen(de) in] opde/
cond(ici)[en] en(de) voirts nabescreven te weten(e) yerst/
oft e(n)nige meer laste(n) ter iuserd(ictu)[s] de v(er)bo ad v(er)bu(m) ut in/
xii[re] m(a)g(istr)o a(m)brosii usq(ue) finem cor(am) eisd(em)
Contributorskristiaan magnus
Moderated bykristiaan magnus
Last update: 2020-04-08 by kristiaan magnus