SAL7387, Act: V°395.2-V°396.1 (690 of 885)
Search Act
previous | next
Act V°395.2-V°396.1  
Act
Date: 1494-04-12

Transcription

2019-09-11 by kristiaan magnus
Item es bevorw(er)t tussche(n) de voirs(creven) p(ar)tie(n) want/
lod(ewijcke) de voeght voirs(creven) ten selve(n) rechte ov(er)heeft/
vand(en) voirs(creven) willem(me) de wynne eene(n) scepen(en) br(ieve)/
van loeven(en) d(aer) mede jan sp(er)maige geloeft heeft/
den selve(n) willem(me) dat hij alsulcken twee rinsgulden(en)/
erffel(ijc) als jan vand(er) rijst becke(r) te p(er)cke heeft op/
twee huyse des voirs(creven) jans sp(er)maige gelegen opde/
biest neve(n) den ouden s(in)[t] jacop ende op tvoirs(creven) huys/
willems de wynne voirs(creven) gelegen inde(n) coute(n)/
aenstoet jairlijcx van t(er)mijne te t(er)mijne als die/
vallen ende verschijne(n) zullen betalen zal alsoe/
in tijts dat den voirs(creven) willem(me) noch zijne(n) goed(en)/
d(aer)aff gheen scade en gebue(re) nae uuytwijsen(en)/
vande(n) selve(n) scepen(en) brieve(n) vand(er) daet xiiii[c] lxxxvi/
xii septe(m)br(is) dat de selve lod(ewijc) ende zij(n) huysvr(ouw)/
sulle(n) blive(n) op huer recht en(de) actie van dien mette(n)/
principale(n) scep(enen) br(ieven) op ja(n)ne sp(er)maige acht(er)volgen(de)/
der voirs(creven) geluefte(n) bij he(m) gelijc voe(r) willem(me) [voirs(creven)] ged(aen)/
en(de) den transpoirte bijd(en) selve(n) willem(me) den selve(n)/
/ lod(ewijcke) gedaen ende dat de selve lod(ewijc) de voirs(creven)/
twee rinsg(ulden) erff(lijc) aen ja(n)ne sp(er)maige houden heffe(n)/
en(de) bue(re)n sal soe lange de twee rinsgulden(en) des/
voirs(creven) jans vand(er) rijst bij janne sp(er)maige niet/
affgequijt en wordden Ende oft soe gebuerde dat/
jan sp(er)maige die twee rinsg(ulden) erff(lijc) aen ja(n)ne vand(er)/
rijst namaels afquete dat in dien gevalle de/
voirs(creven) lod(ewijc) zijn twee rinsgulden(en) erff(lijc) nu spreken(de)/
op ja(n)ne sp(er)maige als voe(r) opt voirs(creven) huys ind(en)/
coute(n) aenstoet inde stadt van jans vand(er) rijst/
twee rinsgulden(en) behouden sal voir hem ende/
zijne(n) nacomeli(n)gen en(de) de welke meest(er) b(er)telmeeus/
oft zijn nacomelingen besitters vanden selve(n) huyse(n)/
inden couten aenstoet in dien gevalle den selven/
lod(ewijcke) alsdan sculdich sullen zijn te besetten en(de) te bevestige(n)/
en(de) anders niet Behalven nochtan dat de voirs(creven)/
meest(er) b(er)telmeeus altijt gestaen sal met eend(er) bet(alinge)/
des(er) twee rinsgulden(en) erff(lijc) het zij aen ja(n)ne vand(er)/
rijst soe langhe hem die bij ja(n)ne sp(er)maige niet/
afgequijt en wordden oft aen lod(ewijcke) voirs(creven) als die selve/
twee rinsg(ulden) erff(lijc) alsoe afgequijt souden moege(n) w(er)den/
zijn bijden selve(n) janne sp(er)maige Ende want de/
voirs(creven) lod(ewijc) en(de) zijn werdynne hue(r) actie vand(en)/
voirs(creven) vijff rinsg(ulden) erff(lijc) gelijc voe(r) overgegoedt hebbe(n)/
den voirs(creven) meeste(re)n b(er)tel(meeuse) om ende voe(r) de so(m)me/
van xix rinsgulden(en) en(de) vier stuv(er)s eens soe de/
selve p(ar)tien in w(er)sijden bekint hebben Soe hebbe(n)/
geloeft ende toegeseeght de selve gehuyssche(n) den/
voirs(creven) meest(er)en b(er)tel(meeuse) in alsoe v(er)re men bevonde/
dat zij totter selv(er) actien gheen recht en hadden/
oft dat oic yema(n)t d(aer)toe geleyt mocht zijn bijd(en)/
welken den selve(n) meeste(re)n b(er)tel(meeuse) die actie niet/
volgen en mochte mair hem met rechte/
ontogen wordde dat zij den selve(n) meeste(re)n bertel(meeuse)/
alsdan restitue(re)n sulle(n) de voirs(creven) xix r(ins)g(ulden) ende/
vier stuv(er)s die hij als voe(r) d(aer) voe(r) betaelt heeft/
/ ende d(aer)enboven alsulken rep(ar)atie als meest(er) b(er)tel(meeus)/
bynne(n) middele(n) tijde d(aer)aen gedaen sal moege(n) hebbe(n)/
Behalve(n) nochtan dat meest(er) b(er)telmeeus in dien gevalle/
den selve(n) gehuyssche(n) d(aer)aen cortten sal alsulken huere/
als tselve huys jairlijcx hadde moegen gelden en(de)/
dat van alsoe vele tijts als hij dat gehadt sal/
hebben al sonder fraude ende argelist It(em) es oick/
vorweerde oft men bevonde dat wille(m) van schoe(re)/
stellen(de) te toepande de helicht van zijne(n) huyse inde/
ridd(er)strate des doen niet mechtich en was dat te/
doene dat lod(ewijc) d(aer)inne niet beva(n)gen en zal wordd(en)/
dien toepande aengaen(de) niet tegestaen(de) zijnd(er) geluefte(n)/
van genoechdoene al wairt soe dat meest(er) b(er)tel(meeus) totte(n)/
selve(n) toepande niet en conste comen cor(am) eisd(em)
ContributorsKarel Embrechts
Moderated byKarel Embrechts
Last update: 2017-03-01 by kristiaan magnus