SAL7390, Act: R°384.2-V°384.1 (623 of 782)
Search Act
previous | next
Act R°384.2-V°384.1  
Act
Date: 1497-04-12

Transcription

2019-04-15 by Karel Embrechts
Vander questien gecome(n) bijden raide vander stadt tusschen/
meeste(re)n ja(n)ne van ravescote ter eende(re) ende willem(me) deens/
ter ande(r) zijd(en) aldair de voirs(creven) meest(er) jan versocht de/
betaling(e) van zekerder huyshue(re)n hem toebehoiren(de) dair/
inne de voirs(creven) willem gewoent hadde ende sunderlinge/
van eene(n) halve(n) jaire gedragen(de) tselve half jair alzoe/
hij seydt iiii(½) r(ins) g(ulden) Dair de voirs(creven) willem op ant/
werde hoe dat hij de voirs(creven) huere genoech bekinde/
mair seydt voirts hoe dat de voirs(creven) meest(er) jan ende/
hij d(air)om in q(ue)stie(n) hadde(n) gestaen voir den rectoir ter caus(en)/
vand(er) r(e)fectie(n) vanden selve(n) huyse ende onder dande(r) ald(air)/
v(er)accordeert was dat de voirs(creven) meest(er) jan thuys behoirl(ijc)/
soude r(e)p(ar)e(re)n van wande en(de) daken ende anderssins d(air)inne/
gebreck was ende dat hij willem alsoe dair een half/
jair noch inne ge blive(n) soude te weten(e) van s(in)t jansmisse/
a(nn)[o] xcvi Ende want de voirs(creven) meest(er) jan de voirs(creven) r(e)fectie(n)/
en(de) r(e)p(ar)atie(n) niet gedaen en hadde dan vi weken oft d(air)omtri(n)t/
voe(r) den selve(n) s(in)t jansmisse he(m) refe(re)nde des tott(er) wairheit/
d(air) van wesen(de) en(de) oic dat de voirs(creven) goede qualijc lagen/
soe hoepte de voirs(creven) willem vand(er) dat hij vander voirs(creven)/
hue(re)n ende meesten deel d(er) selv(er) nae gelegentheit vanden/
/ quaden r(e)p(ar)atien ende scaden bij hem gelede(n) ongehouden/
soude bliven dair de wet verhoert heeft den thoen/
desselfs willems ende nae die(n) de selve willem de voirs(creven)/
quade ond(er)houdi(n)ge vand(en) voirs(creven) huyse alzoe m(er)ckelijc/
niet gethoent en hadde als hij he(m) v(er)mat hoe wel d(air) e(n)nich/
gebreck inne hadde geweest int decken(en) ende anderssins/
Es bijde(n) voirs(creven) raide op al gelet zijnde uuytgesproke(n)/
den voirs(creven) p(ar)tien dat de voirs(creven) meest(er) jan den voirs(creven)/
willem(me) cortte(n) sal vand(er) voirs(creven) huere tvie(re)ndeel ende/
tsurplus sal de voirs(creven) willem sculdich zijn op te/
leggen en(de) te betalen in cons(ili)[o] opidi ap(ri)lis xii
Contributorskristiaan magnus
Moderated bykristiaan magnus
Last update: 2017-04-25 by Xavier Delacourt