SAL7783, Akte: R°183.1-R°185.7 (383 van 713)
Zoek akte
Vorige | Volgende
Akte R°183.1-R°185.7  
Act
Datum: 1498--

Transcriptie

2019-01-03 door Willy Stevens
Om int cortte te replijce(re)n op alsulke(n)/
ongefondeerden antweerde als goort/
goutsmeets als mo(m)boir lucien goutsmets/
voir u erweerdige hee(re)n ov(er)geg(even) heeft/
op alsulcken deugdelijck(en) rekeni(n)g(e)/
als jan lauwers u hee(re)n ov(er)gegev(en)/
heeft seet en(de) repliceert als/
hier nae volgt ende yerst op/
dyerste point/
Erst soe bekint de voirs(creven) jan lauwers dat de selve/
rekeni(n)g(e) is ende seet dat hem niet moegelijck en/
is e(n)nige ande(re) rekeni(n)ge te maken(e) aengesien dat/
hij niet meer ontfange(n) en heeft dan hij ov(er)gegev(en)/
heeft En(de) om u hee(re)n vand(er) saken te informe(re)n en(de) te/
kynne(n) te geve(n) dat de rekeni(n)ge goet rechtv(er)dich/
es seet hij dat inde(n) yersten als de vader van/
lucien starf hij gheen mo(m)boir en was maer was mo(m)boir/
dierick lauwers zijn outste brued(er) en(de) mits dien zijn ouste/
brued(er) vors(creven) verre vande(n) sterfhuys sat en(de) hem zee(r)/
arbeydelyc was om soe luttel goets dicwijle te come(n)/
bat hij janne vors(creven) de kinde(re)n te willen rege(re)n want/
tselve goet d(air) de vors(creven) jan drie kinde(re)n mede op/
gehoud(en) hat totter tijt zij hue(re) broet costen wynnen/
en gelt op dese ure mair drie mudde(n) roggen en(de)/
dat in zijne(n) tijde en(de) met lichten geld(e) en goudt...?/
vii peet(er)s is En(de) zoe is m(er)kelijcke te verstaen(e) en(de)/
oick redelijk dat hij gestaen [sal] metter rekeni(n)ge(n) vors(creven)/
want van de hij niet ontfange(n) en heeft en can hij/
gheen(e) rekeninge gemake(n) en(de) wae(r) oick niet mogelijck/
datme(n) drie kinde(re)n houden soude met soe luttel/
goets sonder d(air) vele toe te leggen en(de) groote scult te/
betalen
//
It(em) op ii[te] point seet [hij] ende repliceert de voirs(creven) jan dat/
hem niet genoech verwonde(re)n en can vand(en) vornemen(en)/
des voirs(creven) goyaerts en(de) hoopt nae recht dat in gheend(er)/
manie(re)n te doen(e) want alsoe hij voe(r) geseet heeft en is/
hij gheen mo(m)boir geweest dan alleen(e) wel zesse jae(r)/
nae de doot vand(en) vader vand(er) kinde(re)n En(de) zoe wae(re)n/
de goede(n) v(er)cocht eer hij int regiment [qua(m)] en(de) tgene dat/
hij gedaen heeft en heeft hij niet gedaen dan bij beheete/
van zijne(n) brued(er) mair belieft godev(ar)de dat te v(er)sueken(e)/
versueke dat d(air) en(de) soe nae recht behoe(re)n sal en(de) op/
dat hij seet dat wijlen pauwels een wel gestelt man was/
seet hij datme(n) de (contra)rie(n) d(air) af bevi(n)de(n) soude want hij/
niet meer goets en hadde dan vors(creven) is en(de) luttel haven/
mair hadde zijn have v(er)cocht bynne(n) zijnd(er) leven(de) liven want/
hij m(air) ii bedde(n) en hadde die d(air) noch lich zijn en(de) seke(r)/
ande(re) have den ty(m)m(er)ambachte aengaen(de) dwelcme(n) noch/
d(air) bevi(n)den sal/
It(em) opt iii seet en(de) repliceert de vors(creven) jan dat hij gheen/
rekeni(n)ge sculdich en is te doen(e) dan van tgene des/
hij ontfange(n) heeft dwelck hij al doet hoepen(de)/
d(air)mede te gestaen(e) en(de) dat hij geen(e) rekeni(n)ge/
sculdich [en is te doen(e)] van tgene des wijlen sijn outste brueder/
ontfange(n) soude [hebben] En(de) aengaen(de) de swee(re)n leeuw/
seet hij dat peeter goutmeets kind(er) der voirs(creven)/
lossien dien gehave(n) [heeft] en(de) vand(en) i r(yns) gulden(e)/
en weet hij niet te spreken(e)/
It(em) opt iiii[e] seet hij dat hij d(air)af noyt hellinck oft/
pe(n)inck gehave(n) heeft mair hij geloeft wel dat/
hij d(air) bij en(de) aen was dair dit v(er)cocht was mair
//
hij en weet niet wat zij outste brued(er) die mo(m)bor/
was d(air) mede dede oft hij oick e(n)nich gelt d(air) af/
hadde want de man die dbert cochte heel in zijne(n)/
cost een vand(en) kinde(re)n in dier tijt/
It(em) opt v[te] point seet hij dat hij noyt kiste noch/
gelt in zijns brued(er)s huys gesien oft aenveert en/
heeft nae zijn doot d(air) toe hij zijne(n) deugdelijcken/
eet p(rese)nteert/
It(em) opt vi point seet hij dat d(en) point h(ier) voir u hee(re)n/
de kynnisse niet en behoort aengesien dat gronde(n)/
van erve(n) aen gaet mair p(rese)nteert d(air) af behoirlijc/
rechts te plegen(e) ter plaetsen d(air) den gront gelege(n) is/
It(em) opt vii[te] seet en(de) repliceert de vors(creven) jan dat/
hem tvorneme(n) des vors(creven) goyaerts niet genoech en/
can verwonde(re)n wantmen ne(m)mermeer bevi(n)den en dal/
dat wijlen laureys bruers d(er) voir(screven) lossien gheen testame(n)t/
gemaect en heeft en(de) huer en mocht gheen [goet] aencome(n)/
dan met testame(n)te aengesien dat huer vad(er) natuerlijc/
en(de) bastaert was tot welcke(n) testame(n)te jan hem gedraegt/
It(em) op viii[te] seet hij dat hij tselve houdt niet/
meer v(er)cocht en heeft dan hij in zijne rekeni(n)ge/
en bringt p(rese)nte(re)nde d(air) voe(r) zijne(n) deugdelijcken eedt/
It(em) opt ix[te] point seet hij dat hij die potte(n) niet en/
heeft v(er)cocht mair heeft die zien v(er)coopen en(de) dat/
metten gelde d(air) af comen(de) wordden de lieden die/
zijne(n) brued(er) inde sterfte verwaerde(n) ende ter erden/
dede(n) [betaelt] want een(en) sorgelijcke(n) tijt was oft in seke(re)n ande(re)n/
sculden hem n(iet) aengaen(de) want hij gheen mo(m)boir en was
//
It(em) opt x[te] point seet hij dat hem d(air) aen(de) twijfelt/
niet min hij p(rese)nteert d(aer) voe(r) te betalen(e) soe vele/
als theens seet die(n) gecocht te hebben(e)/
It(em) opt xi[te] point seet hij en(de) p(rese)nteert dat te/
doen(e) zoe hij beg(er)t/
It(em) opt xii[te] point seet hij dat zijn huysvr(ouwe) die hekele/
wel en(de) deugdelijck gecocht en(de) betaelt dwelc hij/
lucien gheeft tot huer(er) eedt oft p(rese)nteert den eedt met/
zijnd(er) huysvr(ouwe) selve te doen(e) en(de) tsurplus p(rese)nteert/
hij te doen(e)/
It(em) opt xiii[te] seet hij dat hij d(air) af niet sculdich en/
es rekeni(n)ge te doen(e) want hij d(air) af gheen ontfanck/
gehadt en heeft mair heeft dat laten trecke(n) janne/
meys die(n) de kinde(re)n jairlijc(ker) erfpacht sculd(ich) zijn/
It(em) op de co(n)clusie des vor(screven) godev(ar)ts seet en(de) co(n)cludeert/
de vors(creven) jan co(n)trarie d(er) selver hopen(de) te gestaen(e) metter/
rekeni(n)gen bij hem als voe(r) gedaen(e) en(de) aennemen(de) de(n)/
eedt bij hem in zijnd(er) co(n)clusien toegevuegt ende/
niet gehouden zijn in e(n)nige recompensie te doen(e)/
want hij gheen gelt ond(er) gehadt en heeft Mair als/
eenyegelijck wel weten en(de) gevuelen mach heeft hij/
gelts genoech en(de) vele toegegeve(n) om de kinde(re)n dier/
drie wae(re)n op te bringen(e) en(de) de schult van hue(re)n/
vader te betalen(e) want eenyegelijck wel wete(n) mach/
wat drie kinde(re)n tsjaers op drie mudden corens/
soude(n) moege(n) doen en(de) hoe zij d(air) op soude(n) moege(n) leven/
en dade behulp van vriende(n)/
It(em) opt v(er)sueke(n) des vors(creven) godev(ar)ts p(rese)nteert jan g(e)rne/
te doen(e) en(de) dat bij eede
Nagekeken doorJos Jonckheer
ModeratorJos Jonckheer
Laatste update:: 2014-08-12 door Jos Jonckheer