SAL8142, Act: V°220.1 (380 of 810)
Search Act
previous | next
Act V°220.1  
Act
Date: 1474-01-08

Transcription

2020-04-21 by Véronique Bavin
Item henrick ghielijs woenen(de) te cumptich in p(rese)ncia (et)c(etera) heeft genomen en(de)/
bekendt genomen te hebben tegen janne ende henricken de vos gebrued(ere)n/
elff boende(r) lands oft dair omtrint der maten van cumptich en(de) een/
half dachmail beemds luttel min oft meer gelijc de voirs(creven) goede gelege(n)/
zijn te cumptich in diversen stucken en(de) plaetsen aldair gelijc [ende] de/
selve henrick die selve goede ald(air) in pechtinghen gehouden heeft/
Te houden te hebben ende te gebruycken te weten tvoirs(creven) beemdeken/
ende neghen boende(r) vanden voirs(creven) lande van halfmerte lestled(en)/
eenen t(er)mijn van sess jairen langh deen na dander zonder/
middel volgende Ende dande(r) twee boende(r) vanden voirs(creven) lande d(air)af/
deen boende(r) gelegen es inden bruel ende dander ten elshoute/
van halfmerte naistcomen(de) oic eenen t(er)mijn van sess jairen langh/
eenep(ar)lic vervolgende elcx jairs dae(re)nbynnen voer en(de) om neghen/
zacke(n) rogs en(de) drie zacken tarwen beide goeds en(de) payabels grains/
met wanne en(de) vloegelen wel bereidt der maten van loeven te/
weten zess halst(er) d(er) selv(er) maten voer elken zack voirs(creven) gerekent ts(in)t/
andriesmisse ap(oste)ls te betalen en(de) te loeven te leve(re)n den vors(creven) gebrued(ere)n/
alle jaire den voirs(creven) t(er)mijn due(re)nde (et) quo(li)[b(et)] ass(ecutu)[m] Ende es vorw(er)de/
dat de voirs(creven) henrick ghielijs zonder afslach vanden voirs(creven) pachte/
jairlicx betalen sal den goidshuyse van vrouwen p(ar)cke drie sacken/
rogs der maten voirs(creven) Voirt es vorwerde want de voirs(creven) wyn/
de lande hier na bescr(even) te weten een stuck op den hamelsbergh een/
stuck gelegen boven willems van kersbeke wijngairt noch een stuc/
boven den selve(n) wijng(ar)t gelegen en(de) een stuck opt dorpvelt tsijne(n)/
aencomen besaeyt vand met wynt(er)coirne zo sal hij dat tsijnen/
afscheiden also besaeyt moeten laten It(em) want de corenvruchten vande(n)/
selven landen ts(in)t jansmisse lestleden geschatt waren op xxvii zacke/
rogs der voirs(creven) maten so es vorwerde datmen die ten affscheiden/
des vors(creven) wynnen weder schatten sal en(de) oft die beter bevonden/
worden dan de vors(creven) xxvii zacke rogs dat zal den selve(n) wynne/
te baten comen en(de) oft zij arger bevonden worden dat sal hij den/
gebruede(re)n moeten opleggen lye(ming)[en] blanckairt ja(nua)[rii] viii
ContributorsWalter De Smet
Moderated byWalter De Smet
Last update: 2019-05-08 by kristiaan magnus